We zullen het wat rustig aan doen nu. Het verlof nadert met rasse schreden voor ons en dan doen we hopelijk een heleboel andere dingen. Maar dit wilde ik niemand onthouden.
Nu dat ik die aardbeientaart voor mij zie, denkt ik plots aan iets. Wie moet er niet al eens op een zondagmorgen vlug naar de bakker? Niet zolang geleden leek het alsof s’morgens niet meer dan drie kruimels in de broodtrommel aanwezig waren. Toen ik op die ochtend naar binnen stapte bij de warme bakker, kwam net iemand naar buiten die al menig medaille in het zwemmen veroverd had, doch nu hield hij een lang Frans stokbrood onder de arm en aan de andere kant een witte papieren zak met vermoedelijk lekkere doch wel zeer aardse dingen. “Nen mens leeft niet van metaal alleen” zei hij. Ik beaamde dat en trad de zorgeloze felblauwe zondag binnen. In de bakkerszaak stond zoveel volk dat iemand die niet tot de buurt behoorde, zou gaan denken dat het een gratis broodbedeling betrof. De bakker zelf was niet te zien, die verbleef vermoedelijk verderop in het huis waar in mijn verbeelding nog steeds het houtvuur hoog oplaait. Hij had twee vrouwen in witte schorten afgevaardigd en die hadden allebei het zweet op het voorhoofd staan. Een sinecure was het niet, van zwemmen wist ze alles en van verpleegkunde maar van slagroom aan de vingers, dat was een ander katje.
Een oude man wilde een half volkorenbroodje, gesneden, en de machine zette er nog voor de man zelf de tanden in. Tot mijn schrik zag ik dat ze ook hier die ellendige nieuwigheid in gebruik hadden genomen, met een handige draai van de plastieken zak werd er een rood
plastieken lusje omheen gekleefd dat je thuis slechts met de allergrootste moeite weer losgepeuterd kreeg. Gewoonlijk was het brood dan al ontaard tot een stapeltje korsten en brokken, maar een uitvinding was het wel. Een jongetje van een jaar of vier kwam uit het huis de winkel binnen, een jongetje dat bijzonder ontevreden keek. Voor hem was het geen mooie zondagochtend. “Wat kan ik doen?” vroeg het. Het trok een van de vrouwen bij de witte schort en vroeg toen op ongelukkige en erg zeurderige toon “Wat kan ik doen?” “Voetballen”, antwoordde de vrouw. Het was voor haar een zeer logische zaak. Voetballen. Ik was ineens ontzettend blij dat zij mijn moeder niet was geweest, stel je voor, voetballen. “ Ik voetbal niet graag” zei het kind. “ Wat moet ik dan doen?”.
De vrouw telde twaalf broodjes in een witte papieren tuut en toen ze luidop ‘twaalf’ had gezegd, keek ze naar wie toevallig tegenover haar achter de toonbank stond en ze vroeg:”Ja, wat dan? Wat is er nog?” Het was een jongeman, vooraan in de twintig, met koper gekleurd haar. “Volleybal,” zei die en de moeder herhaalde dat. “Hoor je wat meneer zegt? Volleybal”. Het leek voor het kind een gegeven om toch iets dieper over na te denken. Dat zou ik een leuke sport vinden dacht ik want onze jongste doet dat ook.
Er kwam een vrouw naast me staan, ze zei heel vriendelijk goeiendag en toen vroeg ze. “Hoe is het met je dochter? Die heeft al wel bijna gedaan zeker? Hoeveel jaar moet ze nog?” Het was een moeilijk moment want mijn dochter was er eigenlijk nooit geweest, het waren nog alleen zonen ten huizen Kwezel. “ Wat zeg je me nu, och sorry” zei die mevrouw toen, “…eeuh…wat gaat het tegenwoordig toch snel. Eenmaal de vijftig voorbij dan loopt de tijd als water tussen je vingers en het geheugen wordt een zeef.” Ik dacht aan de veertig die ik al gehaald had, dat zou dus al wel de waterval van Coo dan zijn.
Goddank bleek ik aan mijn beurt te zijn en ik probeerde tot het uiterste hoffelijk te blijven. “Het was voor de bestelling af te halen” zei ik, “die ik telefonisch doorgegeven heb”. Ach ja, die twee krentenbroden, zeker gesneden? En twaalf pistolees en vier croissants, nog een aardbeien vlaaike erbij? Juist, die bedoelde ik! De vrouw greep iets van een houten rek en toonde wat met het ‘vlaaike’ bedoeld werd. Een deegholletje met anderhalve aardbei erin en daar een slagroompunt op, je hapte één keer en het was weg. Het leek wel alsof de hele winkel naar mijn vlaaike keek. Terwijl ik het allemaal bij elkaar nam, scheurde ook nog een papieren zak zodat er twee croissants op de grond vielen. “Oei, oei” zei de vrouw. “Ach, laat maar” zei ik, “het had ook het vlaaike kunnen zijn, of het krentenmikske waar de krenten ingeschoten waren”.
Als ik vandaag weer heerlijke aardbeientaart eet, denk ik terug aan dat voorval in die bakkerswinkel. Volgende keer toch maar iets on-line bestellen? Dan kregen we het ook per e-mail toegestuurd.