Beste vertellers Jeronimo, Pluk en anderen.
Ik heb met heel veel genoegen de 7 pagina's van dit topic doorgelezen en herken heel veel in jullie mooie schrijfsels, maar vele dingen zijn ook nieuw voor mij.
Zelf ben ik geboren in 1936 en was dus slechts vier jaar oud toen de oorlog begon. Toch herinner ik me heel veel van deze tijd en ook daarna.
Omzeggens heel de oorlog waren ik en mijn broer alleen met ons moeder omdat mijn vader eerst krijggevangene was en daarna verplicht in Duitsland moest gaan werken.
Graag wil ik ook (als jullie dit goed vinden) mijn steentje bijdragen met het bovenhalen van herinneringen aan die tijd.
Wij hebben zeven kleinkinderen en de vier kleinsten zijn dikwijls bij ons tijdens vakantiedagen.
Het is plezierig, wanneer ze niet kunnen buitenspelen en rondom mij komen zitten met de vraag:
‘Toe peter vertel nog eens iets van toen ge klein waard ... Of van den oorlog, dat is ook goed.’
Ondertussen heb ik hen al heel wat 'echt gebeurde' verhaaltjes verteld en om die beter te kunnen onthouden ben ik begonnen met ze op te schrijven.
Misschien kan ik hier het oudste verhaaltje (wat ik me nog herinner) plaatsen.
Past het niet in jullie topic dan mag je dit gerust zeggen.
Ik heb vaak geprobeerd om te weten te komen wat nu eigenlijk de meeste verre herinnering is die ik heb.
Hoe de oorlog voor ons eigenlijk begon weet ik niet meer, maar één bepaalde gebeurtenis, die duidelijk nog moet hebben plaatsgevonden vóór het uitbreken van die oorlog, staat me nog vrij scherp voor de geest.
September 1939 : Algemene mobilisatie! - Koekelberg -
Ik ben bijna vier jaar en Mil, mijn broer, drie, als ma ons die zondagochtend meeneemt naar Koekelberg.
Op het grote grasplein rond de basiliek zitten Belgische soldaten in bosjes bij elkaar op de vochtige grond. Ze hebben hun geweren met de lopen tegen elkaar rechtop gezet. Het lijken wel kleine indianententjes.
Ma neemt ons bij de hand en gaat op zoekt tussen de vele groepjes. Ze vindt pa bij de kerk waar hij samen met enkele kameraden tegen de muur aanleunt.
Hij heeft ons blijkbaar niet verwacht. Met een kreet van vreugde neemt hij ma even vast en daarna tilt hij mijn broer en ik gelijktijdig op alsof we twee pluimpjes zijn, zo licht.
Wij zitten nu elk op één van zijn armen. Onze gezichten héél dicht bij hem.
De man ruikt naar aarde en nat gras.
Het kaki soldatenkostuum voelt erg ruw aan en schuurt onze blote billetjes rood.
Wat ons aan pa het meeste opvalt is zijn soldatenmuts. Ze lijkt precies een omgekeerd bootje waar vooraan een rode flos bengelt die bij elke beweging heen en weer wiebelt over zijn voorhoofd.
We mogen tussen hem en ma op de grond zitten bij de soldaten en andere mensen met kinderen.
Hij ravot met ons, rolt over het gras en wij springen bovenop hem en rijden paardje op zijn rug.
Om beurten zet hij het rare bootje op zijn en onze hoofden. Wij schateren het uit.
“Ik heb honger,” zegt pa.
Ma haalt boterhammen uit haar tas die we samen snel verorberen. Ze heeft ook nog een blikken doos met koekjes mee voor pa. De doos blijft dicht maar pa laat ons eens proeven van zijn rantsoen soldatenkoeken. Die koeken zijn beenhard en proeven naar karton.
Ma en pa strekken zich languit in het groene gras terwijl wij nog wat spelen met de andere kinderen.
Het wordt een kort afscheid want plots weerklinken de schelle tonen van een klaroen en moeten de mannen verzamelen. De soldaten lopen naar de indianententjes en breken ze snel af.
Haastig geeft pa een kus op de mond van ma en strijkt nog even met zijn zware hand door onze haren.
Daarna is hij weg.
Even later, in het gelid, de helm op het hoofd en het geweer op de schouder, marcheren alle soldaten de brede laan voor de Basiliek op.
Mijn broer en ik beseffen niet wat er gebeurt en weten niet wanneer we pa nog zullen terugzien.
Als ze uit het zicht verdwijnen merken we pas dat Mil nog steeds de soldatenmuts met rode flos op zijn kop heeft. Zijn witte haren steken fel af tegen de kaki kleur van het hoofddeksel.
Vliegensvlug ritst ma de muts van zijn hoofd en wil de soldaten achterna hollen maar ziet nog net de troep wegdraaien achter de hoek.
Er blinkt een traan in haar ogen wanneer ze ons bij de hand neemt Ze bijt op haar onderlip en zet de muts weer op Mil zijn witte kop.
“Jij bent de kleinste,” zegt ze, “ hou jij ze maar…”
Ik heb met heel veel genoegen de 7 pagina's van dit topic doorgelezen en herken heel veel in jullie mooie schrijfsels, maar vele dingen zijn ook nieuw voor mij.
Zelf ben ik geboren in 1936 en was dus slechts vier jaar oud toen de oorlog begon. Toch herinner ik me heel veel van deze tijd en ook daarna.
Omzeggens heel de oorlog waren ik en mijn broer alleen met ons moeder omdat mijn vader eerst krijggevangene was en daarna verplicht in Duitsland moest gaan werken.
Graag wil ik ook (als jullie dit goed vinden) mijn steentje bijdragen met het bovenhalen van herinneringen aan die tijd.
Wij hebben zeven kleinkinderen en de vier kleinsten zijn dikwijls bij ons tijdens vakantiedagen.
Het is plezierig, wanneer ze niet kunnen buitenspelen en rondom mij komen zitten met de vraag:
‘Toe peter vertel nog eens iets van toen ge klein waard ... Of van den oorlog, dat is ook goed.’
Ondertussen heb ik hen al heel wat 'echt gebeurde' verhaaltjes verteld en om die beter te kunnen onthouden ben ik begonnen met ze op te schrijven.
Misschien kan ik hier het oudste verhaaltje (wat ik me nog herinner) plaatsen.
Past het niet in jullie topic dan mag je dit gerust zeggen.
Ik heb vaak geprobeerd om te weten te komen wat nu eigenlijk de meeste verre herinnering is die ik heb.
Hoe de oorlog voor ons eigenlijk begon weet ik niet meer, maar één bepaalde gebeurtenis, die duidelijk nog moet hebben plaatsgevonden vóór het uitbreken van die oorlog, staat me nog vrij scherp voor de geest.
September 1939 : Algemene mobilisatie! - Koekelberg -
Ik ben bijna vier jaar en Mil, mijn broer, drie, als ma ons die zondagochtend meeneemt naar Koekelberg.
Op het grote grasplein rond de basiliek zitten Belgische soldaten in bosjes bij elkaar op de vochtige grond. Ze hebben hun geweren met de lopen tegen elkaar rechtop gezet. Het lijken wel kleine indianententjes.
Ma neemt ons bij de hand en gaat op zoekt tussen de vele groepjes. Ze vindt pa bij de kerk waar hij samen met enkele kameraden tegen de muur aanleunt.
Hij heeft ons blijkbaar niet verwacht. Met een kreet van vreugde neemt hij ma even vast en daarna tilt hij mijn broer en ik gelijktijdig op alsof we twee pluimpjes zijn, zo licht.
Wij zitten nu elk op één van zijn armen. Onze gezichten héél dicht bij hem.
De man ruikt naar aarde en nat gras.
Het kaki soldatenkostuum voelt erg ruw aan en schuurt onze blote billetjes rood.
Wat ons aan pa het meeste opvalt is zijn soldatenmuts. Ze lijkt precies een omgekeerd bootje waar vooraan een rode flos bengelt die bij elke beweging heen en weer wiebelt over zijn voorhoofd.
We mogen tussen hem en ma op de grond zitten bij de soldaten en andere mensen met kinderen.
Hij ravot met ons, rolt over het gras en wij springen bovenop hem en rijden paardje op zijn rug.
Om beurten zet hij het rare bootje op zijn en onze hoofden. Wij schateren het uit.
“Ik heb honger,” zegt pa.
Ma haalt boterhammen uit haar tas die we samen snel verorberen. Ze heeft ook nog een blikken doos met koekjes mee voor pa. De doos blijft dicht maar pa laat ons eens proeven van zijn rantsoen soldatenkoeken. Die koeken zijn beenhard en proeven naar karton.
Ma en pa strekken zich languit in het groene gras terwijl wij nog wat spelen met de andere kinderen.
Het wordt een kort afscheid want plots weerklinken de schelle tonen van een klaroen en moeten de mannen verzamelen. De soldaten lopen naar de indianententjes en breken ze snel af.
Haastig geeft pa een kus op de mond van ma en strijkt nog even met zijn zware hand door onze haren.
Daarna is hij weg.
Even later, in het gelid, de helm op het hoofd en het geweer op de schouder, marcheren alle soldaten de brede laan voor de Basiliek op.
Mijn broer en ik beseffen niet wat er gebeurt en weten niet wanneer we pa nog zullen terugzien.
Als ze uit het zicht verdwijnen merken we pas dat Mil nog steeds de soldatenmuts met rode flos op zijn kop heeft. Zijn witte haren steken fel af tegen de kaki kleur van het hoofddeksel.
Vliegensvlug ritst ma de muts van zijn hoofd en wil de soldaten achterna hollen maar ziet nog net de troep wegdraaien achter de hoek.
Er blinkt een traan in haar ogen wanneer ze ons bij de hand neemt Ze bijt op haar onderlip en zet de muts weer op Mil zijn witte kop.
“Jij bent de kleinste,” zegt ze, “ hou jij ze maar…”
Wie tevreden is met wat hij heeft,
is de rijkste die er leeft.
is de rijkste die er leeft.