17.
Saint Julien en terug
De dagen, weken, ja maanden zijn voor mij voorbij gevlogen in dat kleine dorpje in het zuiden van Frankrijk. De herinneringen zijn er van mooie zomerse warme dagen, zwoele en afkoelende avonden, vrienden en vriendjes, meisjes en jongens. Ik zie het nog voor mij zoals het toen was in die lange vakantie, onvergetelijk, heerlijk. Ik voel haar nog die warme zon; mijn spichtig lichaampje opwarmend na een stoeipartij in de frisse Garonne. Eventjes rillen maar,dan droogde zij al de bereikbare plekken op je lijf. En dan moest je, over de dikke keien hinkelend, weer de schaduw opzoeken onder het struikgewas en de bomen op de oever.
Het waren vier heerlijke maanden; Mei, Juni, Juli en Augustus 1940. Surfen op schuimende golven naar mijn tiende verjaardag. Want ook die zouden wij daar vieren. Daar was ik zeker van.
Met de verjaardagen van eerst mijn oudste zus Miriam in Juli, dan Ursule eind Augustus, en deze van Blondien in het verschiet, begin September, naaiden mijn ouders en zussen hun heimwee naar huis aan elkaar. Voor mij mocht het allemaal blijven zoals het was.
Op een dag tegen het einde van de maand Augustus roffelde de champetter zijn trommel en las een “avis aux réfugiés Belges”. De zesde September zouden wij ons verzamelen aan het station van Carbonne om gerepatrieerd te worden naar België. Vreugde alom en ons moeke kon alweer de tranen niet de baas. Van vreugde deze keer. Zus Blondientje was ook blij:
” Juist op mijn zeventiende verjaardag “ zei ze en greep mij bij mijn armen om een rondedans te beginnen.
De dagen die volgden waren voor het vrouwvolk weer drukke bezigheden weggelegd met wassen, poetsen, pakken. Het ging er vrolijk aan toe. Moeder herhaalde maar over en over dat wij dicht bij elkaar moesten blijven onder de reis. Iedereen moest vooral zijn best doen
om een goed plaatsje te bemachtigen in de trein zodat wij ons goed konden instaleren voor de lange reis terug. Het zal deze keer geen week duren zei vader. Ik schat een dag of drie,vier.
En die 6 September waren zij er allemaal de Belgische vluchtelingen. Van overal in de omgeving waren zij toegestroomd. Op het perron stonden zij, drie rijen dik, te wachten; met pak en zak. Een trein stond er ook al. Een goederentrein met gesloten wagons. Die zou dadelijk wel vertrekken en vervangen worden door een reizigerstrein dacht Fonske.
Een aantal ambtenaren , waarvan één een zwart-geel-rode band rond zijn arm had, kwamen wichtig langs de reizigers gestapt tot aan het einde ven de trein. De deur van een wagon werd open geschoven en de familie zus en zo moest instappen en zich installeren. Een tweede en derde familie eventueel nog er bij. Zo kwamen wij ook aan de beurt. In een hete goederenwagon, waarvan de vloer overdadig bedekt was met stro zochten wij een plaatsje.
Ons territorium bakende we af met onze spullen en fietsen. Met het stro zorgden wij ervoor dat ieder een zacht bed had. De Belgische afgevaardigde vertelde ons dat de trein regelmatig zou halt houden zodat wij bevoorraad konden worden en onze behoeften konden doen. Voor noodgevallen waren in iedere wagon emmers voorzien. De trein zette zich piepend, krakend en sissend in beweging. Eindelijk terug naar huis zei moeke; eindelijk. Toulouse was de eerste halt. De deuren schoven met veel gedruis open. Op de kade liepen vele verpleegsters en mensen met witte uniformen. Wij kregen soep en brood, koffie en water. De volwassenen mochten op het perron hun spieren wat ontspannen. Na een halfuurtje moest iedereen weer inschepen. Deuren dicht en daar gingen wij weer. Anders dan in een gewone trein klonk het denderen over de sporen veel luider. Dingedong dingedong dingedong. Wij hadden allemaal onze vaste stek op het stro waar wij lekker uitgestrekt konden liggen. De trein ging steeds met dezelfde gezapige gang verder; de geluiden lieten zich regelmatig horen. Zo viel je steeds weer in slaap. Door de openstaande luiken aan de bovenkant van de wagon kon je een stukje van de lucht zien: of het licht werd of de avond viel. Maar van landschap of voorbijglijdende dorpjes kon je niets zien. Alweer een reden om op je stro liggen te blijven. De reis werd zelden onderbroken. Ook s’nachts.
Na een drietal dagen en nachten reizen minderde de trein zijn vaart. Aan het gepiep, gekreun en geschok was te horen dat de trein een groot station naderde. Dat beweerde mijn vader en die geloofde ik altijd.”Ik denk dat wij bijna in Brussel zijn” zei hij. De vaart was nu helemaal uit de trein en schokkend kwam hij tot stilstand. Wij hoorden geroep en geschreeuw. Herhaaldelijk werd duidelijk gemaakt dat niemand de trein mocht verlaten. Toen werden de deuren opengeschoven.
“Mons” zei mijn pa “we zijn in Mons, we zijn terug in België” toen hij zijn hoofd weer naar binnen trok. “Kijk “ mompelde hij “ daar ne pruis.” Vlak voor de deur van onze wagon stond een soldaat in een grijsgroen uniform, met een rare helm op zijn hoofd en een geweer dat met een riem achter op zijn rug hing. Ik staarde klaarblijkelijk met grote verbazing en ontzag naar hem. Hij keek ook naar mij en glimlachte. Uit zijn vestzak toverde hij iets te voorschijn terwijl hij naar ons toe stapte. “ Zo” zei hij of zoiets en gaf mij een reep chocolade; tezelfdertijd streelde hij over mijn vlaskop. Heel de familie stond paf. “Zeg merci” zei ons moeder. Merci, prevelde ik. Een stuk chocolade, van ne pruis begot zei pa. Het was de eerste
Duitse soldaat die ik zag. Het was 9 September 1940.
Het denken mag zich nooit onderwerpen!