De herfst begint ---Garmt Stuiveling
Reeds dort het groen der volle bladerverven
Tot najaarsgeel en rood metalen tint
Ik proef uit ieder ding nu gaat de zomer sterven
De herfst begint
Vruchtbomen in de hof staan zwaar te dragen
En bronzen zwelt het ooft in zon en wind
Dit is het schone eind van zoveel schoner dagen
De herfst begint
De knoppen worden schaarser sluiter vaster
Een enkele slechts die zich tot bloem ontwindt
Maar rijkelijk bloeiend staan de perken floks en aster
De herfst begint
En als ik keer , draag ‚k peinzend mee naar binnen
De weinige rode rozen die ik nog vind
Het laatste uit de tuin dat zomer doet herinneren
De herfst begint
--------------------------------------------------------------------------
Not understood ---Thomas Bracken
Not understood, we move along asunder;
Our paths grow wider as the seasons creep
Along the years; we marvel and we wonder
Why life is life, and then we fall asleep
Not understood.
Not understood, we gather false impressions
And hug them closer as the years go by;
Till virtues often seem to us transgressions;
And thus men rise and fall, and live and die
Not understood.
Not understood! Poor souls with stunted vision
Oft measure giants with their narrow gauge;
The poisoned shafts of falsehood and derision
Are oft impelled 'gainst those who mould the age,
Not understood.
Not understood! The secret springs of action
Which lie beneath the surface and the show,
Are disregarded; with self-satisfaction
We judge our neighbours, and they often go
Not understood.
Not understood! How trifles often change us!
The thoughtless sentence and the fancied slight
Destroy long years of friendship, and estrange us,
And on our souls there falls a freezing blight;
Not understood.
Not understood! How many breasts are aching
For lack of sympathy! Ah! day by day
How many cheerless, lonely hearts are breaking!
How many noble spirits pass away,
Not understood.
O God! that men would see a little clearer,
Or judge less harshly where they cannot see!
O God! that men would draw a little nearer
To one another, -- they'd be nearer Thee,
And understood.
------------------------------------------------------------------------
Uit: Taxi ----Simon Carmiggelt
“Het was al na middernacht toen onze visite opstond en verklaarde dat het tijd werd eens naar huis te gaan.
‘Wil je een taxi?’ vroeg ik.
‘Graag.’
Ik ging naar de andere kamer en draaide het nummer van de standplaats Leidseplein. Na geruime tijd zei een schorre, doffe stem: ‘Hallo?’
‘Hebt u een wagen voor me?’ vroeg ik.
‘Een wágen?’
Het klonk verbaasd.
‘Ik spreek toch met de taxistandplaats Leidseplein?’
‘Ja - het Leidseplein, dat wel. Maar ik zie geen taxi's op het moment. Ik sta hier. En die bel ging...’
‘O, u wacht op een taxi,’ veronderstelde ik.
‘Ik? Nee. Waar zou ik naar toe moeten?’
De stem klonk vermoeid.
‘Naar huis, bij voorbeeld,’ zei ik.
‘Ik heb geen huis. Dat wil zeggen - geen huis waar ik naar toe zou kunnen gaan. Mijn vrouw gooit de hoorn erop, als ik opbel. Toch zou ik haar graag weer eens willen zien. En de kinderen. En de honden. Die mis ik erg - de honden. Maar ze laat me niet meer binnen. Ze is bang voor me. Dat heeft ze al gezegd toen ik in de Valeriuskliniek zat. Dat ze bang voor me was. En waarom? Ik doe toch niks bijzonders? Wat doe ik nou?’
Ik zweeg. Er klonken geluiden die je kort na middernacht op het Leidseplein horen kunt - auto's, schreeuwende stemmen van uitgaanders, het gerinkel van een tram.
‘Hallo?’ riep ik, na een tijdje.
‘Alleen de liefde kan de wereld redden,’ zei de stem. ‘Ik predik de liefde. Maar waarom stuit ik dan overal op vijandschap? Ik begrijp dat niet. In dat café, hè? Ik deed toch niks? Ik zei alleen zachtjes: “Pas op,” omdat ik de enige was die wist dat ze gewapend waren. Dat zijn ze toch altijd - gewapend? Maar iedereen keerde zich tegen me. En op het politiebureau werd ik zwaar mishandeld. Zó maar. Op m'n keel hebben ze geslagen. Daarom is mijn stem zo schor. En de volgende ochtend werd het weer Paviljoen drie. Dat begrijpt u natuurlijk wel.’
‘Ja,’ zei ik.
‘Maar zo'n psychiater... Ach, mijn wezen geef ik natuurlijk niet prijs. Mijn diepste wezen is van mijzelf. Ik heb wel geprobeerd hem uit te leggen dat het me alleen om de liefde gaat. Al twintig jaar predik ik de liefde. Ik word er zo moe van. Overal ben ik geweest, meneer. In Tibet, hè, daar heb je zo'n grensweggetje. De Chinezen hebben het aangelegd. Maar toen ik die grens naderde - ik was toch nog met de vrouw en de kinderen - zette ik de wagen neer en stapte uit. Ik zag dat ze achter de machinegeweren gingen zitten, maar ze schoten niet. Ze schoten niet op mij. Ze zágen het. Een ander zouden ze hebben doorzeefd. Weet u wat ik nou niet snap?’
‘Nee,’ zei ik.
‘Voor ik weer in Paviljoen drie terechtkwam heb ik, in het huis van een vriendin die met vakantie in Frankrijk was, drie weken de poes verzorgd. Een lieve poes. Ik heb het keurig gedaan. Toen ze me lieten gaan uit Paviljoen drie vroeg die psychiater of ik een aankomen had. En ik zei: “Ja.” Want ik dacht: ik ga bij die vriendin logeren. Ze heeft een groot huis. Maar toen ik opbelde uit een café, zei ze dat het niet kon. Ze vertrouwde me niet, zei ze. Hoe kan dat nou? Ik heb daar drie weken op de poes gepast. Toen vertrouwde ze me wel. En nou ineens niet. Ik begrijp dat niet.’
Hij begon onverstaanbaar te mompelen. Ik zág hem staan, daar op dat leuke Leidseplein.
‘Die psychiater, hè, die kwam ik gisternacht tegen in het coc. Nou ja, dat moet hij weten. Maar hij zei tegen me: “Toen u bij ons binnen kwam riep u dat u Jezus Christus was.” Ik herinner me dat niet. Het kan best. Ik predik toch ook de liefde. Maar weet u - in India ben ik geweest. En als je daar zegt dat je God bent, dan zijn de mensen blij. Ze feliciteren je. Ze roepen: “How nice for you.” Maar hier spuiten ze je vol rommel en stoppen je onder het spanlaken. Ik...’
Er klonk hevig gekraak. Een andere stem zei: ‘Taxi Leidseplein.’
‘Mag ik een wagen van u?’ vroeg ik.”
-------------------------------------------------------------------------
Het rad van avontuur –Hendrik Tollens
’t Noodlot draait zijn wentelent rad;
Rijdt en rolt de aardbol plat,
Bergen op en over holen;
’t Rost en jaagt en zwiert en giert,
Toom en teugel bot gevierd
Rond en om naar lijn en polen,
Door zijn luimen voortgestierd.
Holt het over schat en pracht,
Het verplet ze door zijn vracht
En vermaalt ze, waar zij blinken;
Schokt het tegen tronen aan,
Zij verbrijzelen, daar zij staan,
En verstuiven en verzinken,
Met de heersers en hun waan.
Maar gezwenkt, in vlugge vaart,
Tilt het andren op van d'aard,
Die zich slingeren om zijn speken;
’t Voert hem voort, uit slijk en puin,
Tot op zetels van arduin,
Waar zij ’t hoofd ten hemel steken,
Met de roofprijs op de kruin.
’t Werpt, in ’t onbesuisde loop
Wat omhoog snelt overhoop,
En verheft wie nederzijgen;
’t Rolt naar boven met Tibeer,
Maar met Varus komt het neer;
’t Moge met Cesar steiler stijgen,
Met Pompejus stort het weer.
Allen, rondom opgetast,
Klemmen we aan het rad ons vast,
Als in wedloop voortgestoven;
Allen, op de prijs verhit,
Draven we in de dolle rit,
Maar wij wentlen ondersteboven…
Veiligst wie in ’t midden zit.
Allen, langs verscheiden spoor
Tuimlen wij de wereld door
Slingren, schokken, zwenken, zwaaien
Wat zich ophief, glipt en glijdt,
Wat ter neer lag, rijst en rijdt,
Tot het rad, in ’t eeuwig draaien
d’Een bij d’ander nedersmijt.
Allen op de struikelbaan,
Wagen lust en rust er aan,
Om een eindweegs voort te rollen;
Wie het plettend rad verniel’;
Wie er steeg of nederviel-
Allen grijpen ’t aan, en hollen…
Niemand steekt een spaak in ’t wiel.
-----------------------------------------------------------------------------
Uit: Wat eindigt begint --- Jan Willem van de Wetering
“De priester beheerde een kleine Zentempel, een eiland van stilte en schoonheid. een paar kilometer buiten Kyoto. De tempel was beroemd om haar tuin en de priester had de tempel gekregen omdat tuinieren zijn lust en zijn leven was. Naast zijn tempel was nog een andere, kleinere, tempel waar een hele oude Zenmeester woonde, de meester was zo oud dat hij geen discipelen meer kon opleiden, de priester zorgde voor de oude meester maar er was geen officiële meester/discipel relatie. De priester had zijn koanstudie al lang geleden opgegeven.
De priester zou gasten krijgen, en hij was de hele morgen in de weer geweest om zijn tuin puntgaaf te maken. Hij had alle losse bladeren opgeharkt en weggegooid, hij had water op het mos gesprenkeld. hij had het mos zelfs hier en daar gekamd, hij had weer wat bladeren op de juiste plaatsen neergelegd, en tenslotte stond hij op de veranda, bekeek de tuin en kon alleen maar tegen zichzelf zeggen dat zijn tuin volmaakt was. De oude Zenmeester had het werk van de priester met aandacht gadegeslagen terwijl hij op het hek leunde dat de twee tempels van elkaar scheidde.
“Mooi he?” zei de priester tegen de meester. “Vindt u niet dat de tuin nu is zoals hij wezen moet? Straks komen mijn gasten en ik wil graag dat ze de tuin vinden zoals de monniken die hem vroeger hebben aangelegd het bedoeld hadden.”
De meester knikte. “Ja”, zei hij, “je tuin is mooi maar er mankeert nog iets aan, als je me even over het hek wilt tillen en in je tuin neer• zetten dan zal ik je werk afmaken”.
De priester aarzelde want hij kende de meester zo langzamerhand en wist dat de oude man zonderlinge ideeën kon hebben. Hij kon echter niet weigeren, de wil van een meester is wet, en dal deze meester gepensioneerd was deed niet ter zake.
Toen hij de meester omzichtig in de tuin gezet had liep deze langzaam naar een boom toe die midden in een mooie rots- en mospartij groeide. Het was herfst en de bladeren zaten los. De meester hoefde alleen maar een beetje te schudden en de tuin lag weer vol met in ordeloze stramienen verspreide bladeren. “Nu is het goed”, zei de meester, “je kan me nu weer terugzetten”.
------------------------------------------------------------------------
Op reis ---Mies Bouhuys
De kleine zwaluw kan niet slapen,
al doet hij ook zijn best,
al knijpt hij zijn twee oogjes dicht
hij woelt maar in het nest.
‘Vooruit, geen kik meer, nu is 't uit,’
piept moeder zwaluw wijs,
‘want anders mag je morgen niet
mee op de grote reis!’
En denk je nu eens even in,
dat je een zwaluw bent,
die van de wereld enkel maar
één stukje weiland kent.
Opeens mag je dan mee op reis,
de zomer achterna;
als hier het natte weer begint,
ben jij in Afrika.
Gelukkig ga je niet alleen,
dat zou niet leuk zijn, nee.
Familie, vriendjes, kennissen,
wat zwaluw is, gaat mee.
Je snapt wel dat dat zwaluwtje
daar niet van slapen kan,
en àls hij eindlijk, eindlijk slaapt,
waar denk je, droomt hij van?
-----------------------------------------------------------------------------
k Zat bij nen boom te lezen ---- Guido Gezelle
‘k Zat bij nen boom te lezen,
al in mijnen brevier;
de zunne kwam gerezen,
gelijk een kole vier;
de blijde vogels dronken
de dreupels van den mei,
de morgenperelen blonken
en brandden in de wei,
lijk vier:
'k zat bij nen boom te lezen,
al in mijnen brevier!
.