DR schreef:Jezus zei tot Martha: „Uw broer zal opstaan.” Martha geloofde in de opstanding en zei daarom tot Jezus: „Ik weet dat hij zal opstaan in de opstanding op de laatste dag.” — Joh. 11:1-24.
In 1958 deed dr.Morton Smith (later hoogleraar oude geschiedenis aan de Columbia Universiteit in New York) een uiterst belangrijke ontdekking in de bibliotheek van Mar Saba, een geïsoleerde en gesloten kloostergemeenschap van de oosters-orthodoxe Kerk op zo'n twintig kilometer van Jeruzalem. Smith had het klooster voor het eerst bezocht tijdens de Tweede Wereldoorlog toen hij als student in Palestina was gestrand. In het besef van het potentiële belang van de documenten die zich in de loop der eeuwen in de bibliotheek van dat klooster hadden opgehoopt, ging hij er in 1958 weer heen.
Zijn belangrijkste ontdekking in Mar Saba waren een paar fragmenten van een 'geheim evangelie' dat zou zijn geschreven door Marcus. Wat hij in feite vond was een kopie van een brief van een tweede-eeuwse kerkvader, Clemens van Alexandrië. De kopie dateerde van op zijn vroegst de tweede helft van de zeventiende eeuw, en was geschreven op de schutbladen van een boek uit 1646 (een veel voorkomende praktijk wanneer zeer oude documenten begonnen te vervallen). Aan de hand van een analyse van de stijl - die vele bekende eigenaardigheden van Clemens bevat - stelden paleografen vast dat het origineel inderdaad door hem was geschreven. Ook in de uittreksels uit het genoemde 'geheime evangelie' die in de brief worden geciteerd komen bijzonderheden voor die het waarschijnlijk maken dat ze echt zijn. (Zo beschrijft het dat Jezus boos wordt. Van de canonieke evangeliën geeft Jezus alleen in Marcus blijk van menselijke emoties - in de andere evangeliën is geen sprake van dergelijke elementen, en het is nauwelijks iets dat kerkvaders als Clemens zouden hebben verzonnen).
De brief van Clemens is een antwoord aan een zekere Theodorus die hem kennelijk per brief had gevraagd hoe hij moest omgaan met een ketterse sekte die bekend was als de Carpocratiërs (naar hun stichter Carpocratus). Dit was een gnostische cultus tot welks praktijken ook seksuele riten behoorden die, voorspelbaar, door Clemens en de andere kerkvaders werden veroordeeld. De leerstellingen van de sekte waren blijkbaar gebaseerd op een alternatief Marcus-evangelie. In zijn brief erkende Clemens dat dit evangelie bestond en echt was - hoewel hij de Carpocratiërs ervan beschuldigde het verkeerd uit te leggen en een deel ervan te hebben vervalst - en dat het door Marcus was geschreven en de esoterische leringen van Jezus bevatte waarvan het niet de bedoeling was dat ze de gemiddelde christen werden onthuld. Dit 'Geheime evangelie van Marcus' leek heel veel op de beter bekende canonieke versie, behalve dat het ten minste twee passages bevatte die in de canonieke versie welbewust waren weggelaten om ze niet onder ogen te laten komen van de 'oningewijden'.
Deze ontdekking is om drie redenen van belang. Ten eerste om het inzicht dat zij ons biedt in de beginjaren van de christelijke kerk en de methoden die de kerkvaders gebruikten om de canon van het christelijke dogma vast te stellen. Zij laat zien dat teksten inderdaad werden bewerkt en gecensureerd en dat zelfs werken die als van even grote waarde als de canonieke evangeliën werden beschouwd van de gewone gelovigen werden weggehouden. Bovendien blijkt eruit dat zelfs een verheven figuur als Clemens bereid was te liegen om te voorkomen dat dergelijk materiaal in bredere kring bekend zou raken. Want al erkent hij tegenover Theodorus dat het Geheime evangelie van Marcus inderdaad bestaat, hij raadt hem aan dat tegenover ieder ander te ontkennen.
Het tweede belangrijke aspect is dat deze ontdekking bevestigt dat de canonieke evangeliën en de overige boeken van het Nieuwe Testament geen compleet beeld geven van de leringen en motieven van Jezus, en dat (zoals gesuggereerd door sommige verslagen van zijn woorden in de canonieke evangeliën). er minstens twee niveaus van onderricht voorkwamen. Het ene was het exoterische voor de gewone volgelingen, het tweede was het esoterische voor de speciale discipelen - of de echte kring van ingewijden.
Het derde belangrijke punt met betrekking tot deze ontdekking van het Geheime Evangelie van Marcus - en een van bijzonder belang voor ons eigen onderzoek - is het karakter van de twee passages die Clemens in zijn brief citeert.
De eerste is een verslag van de opwekking van Lazarus, al wordt hij in deze versie niet met name genoemd, maar gewoon aangeduid als een 'jongeling' uit Bethanië. Het verslag lijkt erg veel op dat in het Evangelie naar Johannes, zij het dat in deze versie het eigenlijke wonder nog een vervolg krijgt - er wordt namelijk verteld dat de jongeling zes dagen later naar Jezus kwam 'gekleed in een linnen kleed over zijn naakte lichaam' en een nacht lang bij hem bleef tijdens welke hij werd 'onderricht'... in het geheimenis van het Koninkrijk Gods.
Bijgevolg lijkt de opwekking van Lazarus niet zozeer een wonderbaarlijke opstanding te zijn geweest maar veeleer deel te hebben uitgemaakt van een soort inwijdingsrite waarin de persoon die wordt ingewijd een symbolische dood en wedergeboorte ondergaat alvorens de geheime leringen te ontvangen
Bron: Picknett, Lynn en Prince, Clive, 'Het geheime boek der grootmeesters', Tirion Uitgevers BV, Baarn, pp. 252 - 254.
Is deze informatie aan U bekend, DR ? En zo ja, wat vindt U ervan ?
Het leven is één groot feest, maar we moeten wel ZELF de slingers ophangen.