bluevelvet schreef:De oude Grieken wisten al dat de aarde rond was.
De bolvorm van de aarde was voor de gemiddelde ontwikkelde Middeleeuwer de normaalste zaak van de wereld.
Hadden wetenschappers aan een bolvormige aarde getwijfeld had men nooit Columbus laten uitvaren.
Reeds lang vóór Columbus waren Pythagoras, Plato en Aristoteles overtuigd van het rond der aarde.
Eratosthenes had 250 jaar voor Christus al de omtrek van de aarde wiskundig uitgewerkt. Die Griekse kennis over het rond zijn van de aarde is later nooit verdwenen.
De meeste kerkvaders accepteerden de bolvorm van de aarde.
Inderdaad, laat ons even Aristarchus van Samos erbij betrekken:
Aristarchus van Samos (ca.310-230 v.Chr)
Aristarchus van Samos, die leefde ongeveer van 310 tot 230 v.Chr., en dus zowat een kwarteeuw ouder was dan Archimedes, is de belangwekkendste van de oude sterrenkundigen, omdat hij de volledige hypothese van Copernicus lanceerde, dat alle planeten, de aarde incluis, zich in cirkelbanen om de zon bewogen, en dat de aarde bovendien in vier en twintig uur om haar eigen as wentelde. Het stelt even teleur, dat het enige bewaard gebleven werk van Aristarchus; Over de Omvang en de afstanden van Zon en Maan, zich op het geocentrische standpunt plaatst. Het is waar, dat het voor de problemen, die dit werk behandelt, geen verschil uitmaakt, op welk standpunt men zich stelt, en hij zal het waarschijnlijk onverstandig hebben geacht om zijn berekeningen te bezwaren met een onnodige oppositie tegen de algemene opvatting van de sterrenkundigen; ook is het mogelijk, dat hij pas na het schrijven van dit werk tot zijn Copernicaanse hypothese is gekomen. Sir Thomas Heath neigt tot deze laatste opvatting in zijn boek over Aristarchus, dat de tekst bevat van dit werk, met een vertaling . Het feit, dat Aristarchus de hypothese van Copernicus heeft gelanceerd, staat desalniettemin positief vast.
Het eerste en beste bewijs daarvoor wordt geleverd door Archimedes, die, gelijk wij reeds hebben gezien, een jongere tijdgenoot was van Aristarchus. In een schrijven aan Gelon, de koning van Syracuse, merkt hij op, dat Aristarchus “een boek met een aantal hypothesen” het licht had doen zien, en vervolgt dan: “Zijn hypothese is, dat de vaste sterren en de zon onbeweeglijk zijn, en dat de aarde om de zon wentelt in een cirkel, met de zon als middelpunt”. Ook bij Plutarchus komt een passage voor, volgens welke Cleanthes “meende, dat het de plicht van de Grieken was om Aristarchus van Samos wegens goddeloosheid te veroordelen, omdat hij het Hart van het Heelal (namelijk de aarde) in beweging had gebracht; dit als gevolg van zijn poging om de verschijnselen te verklaren door de veronderstelling, dat de hemel zich in rust bevindt, en de aarde zich in een schuinstaande cirkelbaan voortbeweegt, en tegelijkertijd bovendien nog om haar eigen as draait”. Cleanthes was een tijdgenoot van Aristarchus en overleed omstreeks 232 v. Chr. Elders merkt Plutarchus op, dat Aristarchus deze opvatting slechts als hypothese lanceerde, maar dat zijn volgeling Seleucus haar als een vaststaand feit verdedigde. (Seleucus leefde omstreeks 150 v. Chr.). Aëtius en Sextus Empiricus vermelden eveneens, dat Aristarchus de heliocentrische hypothese verkondigde, doch vermelden er niet bij, dat zij uitsluitend als hypothese was bedoeld. Zelfs wanneer hij dit zou hebben gedaan, lijkt het niet onwaarschijnlijk, dat hij, evenals Galilei tweeduizend jaar later, zo heeft gehandeld om de godsdienstige vooroordelen niet te kwetsen, een vrees, die, gezien de reeds vermelde houding van Cleanthes, maar al te gegrond blijkt te zijn geweest.
De Copernicaanse hypothese, door Aristarchus gelanceerd, hetzij positief, dan wel tastenderwijs, werd definitief aanvard door Seleucus, doch door geen ander sterrekundige uit de oudheid. Deze algemene verwerping was hoofdzakelijk te danken aan Hipparchus, die van 161 tot 126 v. Chr. Werkzaam was. Heath beschrijft hem als “de grootste sterrekundige van de oudheid” (Greek Mathematics dl.II blz. 253.) Hij was de eerste, die een systematische verhandeling schreef over driehoekdsmeting; hij ontdekte de precessie van de dag- en nachteveningen; hij berekende de lengte van de maan-maand met een nauwkeurigheid van minder dan een seconde; hij bracht een verbetering aan in de brekeningen van Aristarchus inzake de afstanden van zon en maan; hij stelde een catalogus samen van achthonderd en vijftig vaste sterren met vermelding van hun lengte en breedte. Tegenover de heliocentrische hypothese van Aristarchus stelde hij een verbeterde editie van de theorie der epicycli, die omstreeks 220 v.Chr. door Apollonius was opgesteld; het was de uitwerking van deze theorie, die later bekend zou worden als het Ptolemaeische stelsel, naar de sterrekundige Ptolemaeus, die leefde in het midden van de tweede eeuw v. Chr.
Copernicus heeft misschien iets, zij het dan niet veel, afgeweten van de bijkans vergeten hypothese van Aristarchus, en werd aangemoedigd, doordat hij bij de Ouden steun vond voor zijn nieuwigheid. Voor het overige is de invloed van de hypothese van Aristarchus op de latere sterrekunde praktisch nihil geweest.
Bron: Russell B., Geschiedenis der westerse filosofie – in verband met politieke en sociale omstandigheden van de oudste tijden tot heden, Servire, Katwijk aan Zee, 1948, pp.208-209.
Het leven is één groot feest, maar we moeten wel ZELF de slingers ophangen.