.




MAANDAG MIJN EERBETOON AAN TOON HERMANS 4’de jaargang
SING--CARPENTERS
Sing , sing a song
Zing , zing van Toon…………………….135
Zing zijn liedjes en vaar mee in zijn droom
We reizen tot we gelukkig zijn
Het lelijke wordt schoon
Dus , zing , zing van Toon
Zing , zing van Toon
Zing heel zacht , en heel vroom
Zing van lekkere wijn
Zing van liefde geen pijn . La , la , la
NORMAN-VERS
Geef Toon een droom……………………181
Hij is vertrokken
Blaast hij wat stoom
Krijg ik de brokken
In mijn keel en in mijn hart
En hij graaft altijd verder
Hij is een clown apart
Een clown maar ook een herder
Geef Toon een zaal
En hij zal praten
In elk verhaal
Zoekt hij naar gaten
De gaten in de muur
Rondom ieders hart
Was Toon maar mijn gebuur
Dan was mijn wit niet zwart
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
DINSDAG DE BETERE GEDICHTEN VERGEET ZE NIET
LEO VROMAN
Venezia
't Is avond. Witte gevels staan
als schimmen in de lege zon
te trillen, fraise nevels gaan
als gazen langs de horizon.
Het grauwe water fluistert met de huizen.
Het zwarte water klotst onder de trappen.
Het purper water kabbelt aan de muur.
Het blauwe water krinkelt in de stegen -
Maar Roze vloeit het uit over de Rio,
onder de paarse hemel, in de lage zon.
Roze rust het water in de Rio,
Violette wolken drijven
in de Rio
Grande in de zon.
III
Als ik mijn ogen om beurten sluit
zie je er zus en dan zo uit.
Jammer dat ik meestal kijk
met beide ogen tegelijk.
Jij bent nl. een snuitepuit.
VII
De dingen waar ik iets van zeg
wankelen en waggelen weg.
Die waar ik bijna niets mee doe
kruipen nieuwsgierig naar mij toe.
Stop! voordat ik mijn pen wegleg.
VIII
Waarom schrijven dichters dat zij het licht,
hun strand zijn, of haar ogenblik?
Ik ben Leo Vroman, ook in dit gedicht,
en niemand is meer of minder gras dan ik.
Dat menselijke is juist het leuke van mijn gezicht.
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
MIJN RIJMPJESDOOS WOENSDAG
Ik heb van alles veel…………………….661
Veel goesting naar genot
Maar kijk voortdurend scheel
Want leeg blijft mijnen pot
Ik heb het opgespaard
Mijn harde schijf zit vol
En toch pluk ik mijn baard
Mijn schedel klinkt zo hol
Ik heb alleen geen geld
Dat is voor anderen weggelegd
Dat is wat mij al zo lang kwelt
Heeft menig dichter ooit gezegd
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
MIJN RIJMPJESDOOS DONDERDAG
Een spin kroop op een spin……………….662
Hij dacht Dat voelt wel goed
Maar meer zat er niet in
Zij dronk daarna zijn bloed
Een duif zat op een duif
Maar werd een weduwnaar
De melker had een kluif
En een lange afstands winnaar
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
MIJN RIJMPJESDOOS VRIJDAG
Ik ben mijn woord…………………663
Maar liegen is de mode
Word niet gehoord
Behandeld als een dode
Ik ben mijn oog
Maar kleuren camoufleren
Hoeft het betoog
Dat ik niets kan leren ?
Ik ben mijn hart
Maar voelen is verboden
Ik wacht met smart
Tot mensen worden goden
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
MIJN RIJMPJESDOOS ZATERDAG
Laat de liefde leven…………………….664
In je hoofd en in je hart
Laat je lente geven
En raak niet meer verward
Laat de hoop gedijen
Tot de dageraad
Laat je dan vermeien
Door een goede daad
Laat het boek weer spreken
En luister wat het zegt
Laat het beelden breken
Herken wat is onecht
Laat de ogen kijken
Maar wacht tot je begrijpt
Laat de vlaggen strijken
Tot je oordeel is gerijpt
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&
MIJN RIJMPJESDOOS ZONDAG
In de ban van jou…………………..665
Jij bleef niet trouw
De vrijheid en de grens
Het kind in ieder mens
In de ban van jeugd
De pijn de vreugd
De weemoed van de daad
De liefde en de haat
In de ban van tijd
Van vriendschap en van nijd
Het ego dat verdwijnt
En snel komt dan het eind
&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&&