VOOR ALLERZIELEN:
Vrees voor den dood. — Vloek der goddeloozen. — Valsche en loffelijke schaamte.
O dood, hoe bitter zijt gij, als een mensch aan u denkt, die goede dagen
en genoeg heeft en zonder zorg leeft en wien het welgaat in alle dingen,
en die nog wel eten kan. O dood, hoe wèl doet gij den nooddruftige,
die zwak en oud is, die in alle zorgen steekt, en niets hier te
hopen en noch te verwachten heeft.
Vrees den dood niet; denk, dat het zoo van den Heer bestemd is over
alle vleesch, beiden èn wie vóór u geweest zijn èn wie ná u komen
zullen; en wat weigert gij tegen Gods wil, al leeft gij tien, honderd of
duizend jaren? Want in den dood vraagt men niet hoelang iemand geleefd heeft.
De kinderen der goddeloozen en die met de goddeloozen gezelschap
houden, worden niets dan gruwelen. Het erfgoed van de kinderen der
goddeloozen vergaat en hunne nakomelingen moeten veracht zijn. De
kinderen moeten klagen over den goddeloozen vader; want zijnenthalve
zijn zij veracht.
Wee u, goddeloozen, die de wet des Hoogsten verlaat. Of gij leeft
of sterft, gij zijt vervloekt. Gelijk alwat uit de aarde komt weder tot
aarde wordt, alzoo komen de goddeloozen uit den vloek tot de ver-
doemenis.
Het lijden van een mensch mag hier duren, zoolang hij leeft; maar
de naam der goddeloozen moet verdelgd worden, want hij deugt niet.
Zie toe, dat gij een goeden naam behoudt: die blijft zekerder dan duizend
groote schatten gouds. Een leven, het zij zoo goed als het wil, duurt
slechts een kleinen tijd; maar een goede naam blijft eeuwig.
Mijne kinderen, als het u welgaat, zoo ziet toe en blijft in Gods vreeze.
Zoo schaamt u nu over hetgeen ik u zeggen wil. Men schaamt zich
dikwijls, waar men zich niet schamen moest; en men staat dikwijls toe
hetgeen men niet moest toestaan. Vader en moeder behooren zich te
schamen over hoererij, een vorst en heer over leugens, een rechter en
raad over onrecht, de gemeente en het volk over ongehoorzaamheid,
een naaste en vriend over leed te doen, een buurman over het stelen.
Schaam u, dat gij met uwen arm op het brood over tafel ligt, schaam
u, dat gij kwalijk bestaat in de rekening, en niet dankt, als men u groet;
schaam u om naar de hoeren te zien en uw aangezicht van uwe bloed-
vrienden af te wenden; schaam u om het erfdeel en de bruidschat door
te brengen en eens anders huisvrouw te begeeren; schaam u om eens
anders dienstmaagd te begeeren en bij haar bed te staan; schaam u om
uwen vriend wat voor te houden; en als gij hem wat geeft, verwijt het
hem niet; schaam u na te zeggen alwat gij gehoord hebt, en geheime.
toevertrouwde redenen te openbaren; — dan schaamt gij u recht en zult
allen lieden lief en waard zijn.
The difference between a Miracle and a Fact is exactly the difference
between a mermaid and a seal.
-- Mark Twain