Een levensbeschouwing is altijd betrokken op de mens en wil met een waardensysteem, algemene voorschriften en regels een kader scheppen waarmee alle mensen in een samen-leving een waardig leven kunnen leiden.
De dagelijkse realiteit wordt door een levensbeschouwing wel beïnvloed en beperkt (bij)gestuurd maar niet echt geregeld. Er zijn onder andere wetten en rechtsregels nodig en ook een stelsel of model waarmee men de sociaal-economisch-politieke dimensies van het maatschappelijk bestel de gewenste focus en structuren geeft zodat een systeem ontstaat dat zichzelf kan in stand houden .
Wanneer dat maatschappijmodel niet focust op de mens maar prioritair op winst en groei treedt er uiteraard spanning op met de levensbeschouwing(en). De concrete mens wordt dan opgezadeld met de tegenstelling regelmatig dingen te doen die zijn dagelijks leven moeten veilig stellen en datgene wat hij eigenlijk zou willen doen om zowel zijn eigen leven als dat van anderen te laten verlopen in overeenstemming met de overtuiging.
Als een groot deel van de bevolking de focus van het maatschappijmodel wil wijzigen dan moet dat binnen een democratie op het eerste zicht geen wezenlijk probleem zijn. Toch komt men niet zo snel tot de gewenste aanpassing.
De moeilijkheid is dubbel.
Enerzijds is een levensbeschouwing door haar aard in algemene termen gesteld zodat niet op concrete elementen of structuren van het maatschappijmodel kan worden gereageerd. In sommige gevallen is de schriftuur van een levensbeschouwing sterk bepaald door de samenlevingsomstandigheden van de tijd en de plaats waarin die is opgesteld en is de affiniteit met de realiteit van nu erg beperkt waardoor een discussie nog minder zinvol kan worden gevoerd.
Anderzijds moet men om een gangbaar maatschappijmodel grondig te wijzigen of te vervangen genoeg inzicht hebben in de maatschappelijke werkelijkheid om te kunnen formuleren hoe men ze zinvol en precies wil aanpassen. Als die kennis echter bij de grote groep ontbreekt dan zit ze niet alleen met het probleem dat ze haar wens niet concreet kan formuleren maar ook dat ze niet in staat is om die democratisch door te drukken.
Een democratie kan maar werken zoals bedoeld als diegenen die er mogen aan deelnemen niet alleen over stemrecht beschikken maar ook in hun opvoeding de nodige kennis meegekregen hebben om over het nodige inzicht te beschikken.
Dat men inzake het onderricht van levensbeschouwing vrije keuze laat is niet meer dan een mensenrecht. Dat men de noodzaak van een degelijke maatschappelijke opvoeding in ons onderwijs oningevuld laat ( = overlaat aan leerkrachten die er zelf niet in opgeleid zijn) is zonder meer een schuldig verzuim en een regelrechte ondermijning van de democratie. In ons buurland Duitsland is sociaal en/of politiek onderricht een vast wekelijks vak in de middelbare opleiding.
Ten slotte blijft er natuurlijk het probleem dat de vrije-markteconomieleer niet mensgericht is. De bewering, die onder andere Margaret Thatcher graag in de mond nam, als zou er geen alternatief bestaan gaat gewoon niet op. Een alternatief wordt tegengehouden door diegenen die nu macht hebben en met het vrije-marktmodel goed af zijn, en doordat in de nasleep van de communisme-kapitalisme tegenstelling ook op theoretisch gebied vernieuwing in de economische theorie verhinderd wordt met het argument dat zoiets niet zinvol is bij de huidige stand van de economische wetenschap. Met Karl Popper (wetenschapsleer) zeg ik dat economie geen wetenschap is maar gewoon een kennisgebied want de economische theorie kan binnen de kortste keren op talrijke punten worden tegengesproken.
De dagelijkse realiteit wordt door een levensbeschouwing wel beïnvloed en beperkt (bij)gestuurd maar niet echt geregeld. Er zijn onder andere wetten en rechtsregels nodig en ook een stelsel of model waarmee men de sociaal-economisch-politieke dimensies van het maatschappelijk bestel de gewenste focus en structuren geeft zodat een systeem ontstaat dat zichzelf kan in stand houden .
Wanneer dat maatschappijmodel niet focust op de mens maar prioritair op winst en groei treedt er uiteraard spanning op met de levensbeschouwing(en). De concrete mens wordt dan opgezadeld met de tegenstelling regelmatig dingen te doen die zijn dagelijks leven moeten veilig stellen en datgene wat hij eigenlijk zou willen doen om zowel zijn eigen leven als dat van anderen te laten verlopen in overeenstemming met de overtuiging.
Als een groot deel van de bevolking de focus van het maatschappijmodel wil wijzigen dan moet dat binnen een democratie op het eerste zicht geen wezenlijk probleem zijn. Toch komt men niet zo snel tot de gewenste aanpassing.
De moeilijkheid is dubbel.
Enerzijds is een levensbeschouwing door haar aard in algemene termen gesteld zodat niet op concrete elementen of structuren van het maatschappijmodel kan worden gereageerd. In sommige gevallen is de schriftuur van een levensbeschouwing sterk bepaald door de samenlevingsomstandigheden van de tijd en de plaats waarin die is opgesteld en is de affiniteit met de realiteit van nu erg beperkt waardoor een discussie nog minder zinvol kan worden gevoerd.
Anderzijds moet men om een gangbaar maatschappijmodel grondig te wijzigen of te vervangen genoeg inzicht hebben in de maatschappelijke werkelijkheid om te kunnen formuleren hoe men ze zinvol en precies wil aanpassen. Als die kennis echter bij de grote groep ontbreekt dan zit ze niet alleen met het probleem dat ze haar wens niet concreet kan formuleren maar ook dat ze niet in staat is om die democratisch door te drukken.
Een democratie kan maar werken zoals bedoeld als diegenen die er mogen aan deelnemen niet alleen over stemrecht beschikken maar ook in hun opvoeding de nodige kennis meegekregen hebben om over het nodige inzicht te beschikken.
Dat men inzake het onderricht van levensbeschouwing vrije keuze laat is niet meer dan een mensenrecht. Dat men de noodzaak van een degelijke maatschappelijke opvoeding in ons onderwijs oningevuld laat ( = overlaat aan leerkrachten die er zelf niet in opgeleid zijn) is zonder meer een schuldig verzuim en een regelrechte ondermijning van de democratie. In ons buurland Duitsland is sociaal en/of politiek onderricht een vast wekelijks vak in de middelbare opleiding.
Ten slotte blijft er natuurlijk het probleem dat de vrije-markteconomieleer niet mensgericht is. De bewering, die onder andere Margaret Thatcher graag in de mond nam, als zou er geen alternatief bestaan gaat gewoon niet op. Een alternatief wordt tegengehouden door diegenen die nu macht hebben en met het vrije-marktmodel goed af zijn, en doordat in de nasleep van de communisme-kapitalisme tegenstelling ook op theoretisch gebied vernieuwing in de economische theorie verhinderd wordt met het argument dat zoiets niet zinvol is bij de huidige stand van de economische wetenschap. Met Karl Popper (wetenschapsleer) zeg ik dat economie geen wetenschap is maar gewoon een kennisgebied want de economische theorie kan binnen de kortste keren op talrijke punten worden tegengesproken.

