Op de grafsteen van mijn ouders lag de ruiker in zachtroze en witte tinten.
Ik keek mijmerend naar hun beider beeltenis, voelde de nog warme zon op mijn rug.
Ik keek weer naar de bloemen en dacht: "Make zou ze mooi gevonden hebben."
En er zoemde een hommel van bloem naar bloem...en nog een...en enkele bijtjes.
Hoe kon ik anders dan aan dit gedicht denken.....
*******************
Aan een graf
Vliegen en vlinders, kinderen en bijen,
al wat als stipjes vonkt door de natuur,
warm, blij moedertje, schoot van vuur,
daar hield je van, en zie, die bleven bij je.
Want als ik hier de diepe stilte in tuur,
stijgt het zo glinsterend op, dat ik moet schreien,
en duizend lachjes, liedjes, mijmerijen,
tintelen uit het gras naar het azuur.
'k Sta aan je graf als jij eens aan mijn wieg.
Moeder, vrees niet dat ik bij dit verzonken
handjevol as mij om het vuur bedrieg.
Ik ween, als jij toen om de vrije vonken,
de bij, het kind, de vlinder en de vlieg,
die in het licht van puur geluk verblonken.
M. Nijhof
*****************
novembergroetjes,
Janina