Recht vooruit zag ik tussen uiteenrafelende mistflarden een bouwsel, een constructie van het soort dat geleek op de betonwerven aan de kust, met her en der uitstekende metalen staven, een vlechtwerk van stalen netten, klaar om er de volgende dagen aan verder te werken. Midden in zee…?
En ik…, ik stevende er recht op af! In een uiterste krachtinspanning gooide ik het roer naar stuurboord, maar tegelijkertijd zwaaide het bouwsel…, het ding…, het achterschip, of wat het ook mocht zijn, mijn kant uit.
Dan maar bakboord…, dacht ik, ook dat bleek een vergissing, Het ding voer volle kracht vooruit zonder het gekende geluid van een stampende diesel. Verdomd, was het een spookschip…? Ik waagde me aan dek, maar kreeg nièt eens de tijd, noch om te kijken, noch om het één of andere reddende maneuver uit te voeren. Uit, wie weet wat voor donkere hoek kwam een nieuw en kleiner tuig aandrijven, snel en geluidloos, een 'vaartuigje' dat veel weg had van een zodiak. Drie gestalten… Ze wipten zomaar bij mij aan boord. Twee ervan hanteerden een eigenaardig wapen, dat veel weg had van een spuitbus en hielden het dreigend op mij gericht. Ik stond sprakeloos. En toen kwam de derde aan boord — waarschijnlijk de hoofdman van de bende—en stevende op mij af. De gewapende kerels droegen glinsterende metalen maskers, maar bij de derde kon ik enkel een wazige gele vlek onderscheiden, op de plaats waar zijn gelaat had moeten zijn. Hij ging me meteen voor naar het stuurhuis, terwijl ik door zijn twee kornuiten met een onzachte duw geboden werd te volgen. De hoofdman greep het stuurwiel vast, schakelde de automatische piloot uit en met de gashendel op volle kracht stuurde hij ons bootje rakelings langs het achterschip van het vreemdsoortige drijvende gevaarte, waarbij we bijna geheel onder de enorme spiegel verdwenen van het reusachtig gevaarte. Welk voor tuig het ook mocht wezen, het was zeker een kanjer van honderd meter of meer. Een beetje van terzijde, want ik durfde nauwelijks te bewegen, keek ik toe, hoe een reusachtige kraanarm de ton van de Middelkerkebank uit het water hees en aan boord bracht van het grote schip. Maar mijn verbazing steeg ten top, toen ik bij nader toezien moest vaststellen dat deze ton, wel die felgele kleur van de boei bezat, maar de zwarte band ontbrak eraan, en deze kanjer was wel tien keer zo groot als diegene die we zo goed kenden. Hier klopte iets niet…
Het klusje was waarschijnlijk geklaard, want mijn bewakers maakten aanstalten om ons bootje te verlaten. De man zonder gezicht schakelde de autopiloot weer in, alsof hij nooit iets anders had gedaan, keek me aan en toonde met gestrekte arm de koers die ik te varen had.
Recht vooruit, dat was duidelijk, en snel wegwezen. De drie gleden één voor één naar buiten en verdwenen over de reling. Ze hadden geen woord gesproken, ook niet onder elkaar.
Ik dacht opeens aan het dure visnet. Dat hing nog steeds achter het gat van onze boot aan, Charles zou razend zijn. Het net lag ongetwijfeld om en om gedraaid door dat korte maneuvreren. Ondoordacht sprong ik aan dek, nam een duikvlucht naar de winch, en begon met het winden van het hele boeltje, maar in mijn haast vergat ik het toerental van de motor te verlagen. Een ogenblik volkomen de kluts kwijt besefte ik tè laat dat het hele zootje om zeep draaide. Krampachtig turend in het woelwater achter de boot, waar de korrestok nu elk moment kon opduiken, verloor ik de kabeltrommels uit het oog. ‘t Was pas toen ik een scherpe pijn aan mijn hand gewaar werd dat ik in het vale licht dat door de kajuitvensters viel, de lagerblokken van de as zag loskomen. Bouten werden weggeslingerd, de zware as ging in de hoogte, en de trommels tolden als gek rond.
En toen..., toen was er die volkomen rust, een leegte rondom mij zonder schreeuwende metalen onderdelen. Niets dan stilte, een weldoende sluimertoestand waarbij men alles om zich heen als in een droom beleeft, men wil zich vastgrijpen aan de werkelijkheid, aan het leven…, maar de spieren weigeren dienst, voor de rest treft ons geen greintje pijn meer, geen angst…, men laat zich als het ware meedrijven.
Toen ik goed en wel ontwaakte, uit die kortstondige verdoving, leek alles van heel ver terug tot mij te komen.
Charles keek me bezorgd aan en bette het bloed op mijn aangezicht, mijn hand voelde stram aan. Ik betastte mijn voorhoofd waar een flinke bult voelbaar was, en een mooie wonde. Nog wat duizelig, kon ik toch de ravage aan de winch vaststellen. Het enige wat Charles zei, was dat er gauw een pleister op mijn hoofd moest, en dat ik mijn hand moest laten verzorgen zodra we thuiskwamen, dat we lelijk uit de koers gelopen waren, en dat we net en korrestok wel zouden vinden, eventueel met de ankerlier en de handtakel.
Zo snel mijn benen mij konden dragen haastte ik mij naar de stuurhut. Ver konden zij nog niet zijn, ik moest en zou de kapers terugvinden. Maar meer dan de gewone bakens was er op het groene scherm niet te bespeuren. Van het piratenschip: geen enkel spoor.
'Gaat het ?' Vroeg Charles toen ik sprakeloos in het ijle bleef staren.
Ja, het ging wel, maar ik zei hem dat er iets was geweest met de westelijke ton van de Middelkerkebank.
Toen hij mij met een veelbetekenende blik aankeek, en een beetje achterdochtig vroeg wat er dan wel was geweest met die ton, herpakte ik me, en zei flauwtjes ; 'ach, laat maar zitten'.
Aan de schipper kent men zijn gasten