(inzending van T.V., licht geredigeerd door de redactie)
Wat ben jij toch een goed mens! Dat compliment horen we graag. We strooien ermee: een goed leven, een goede oogst, goede vrienden. “Goed” hangt vast aan normen en waarden — ons pakket dat we beschaving noemen.
Maar past elk individu in dat pakket? Niet altijd. Er zijn wrijvingen en overtredingen; het goede botst voortdurend op zijn tegenpool.
Leven volgens regels is minder eenvoudig dan het lijkt. Misschien ligt het aan onze grillige aard: we koesteren vrijheid en laten ons niet graag intomen. Willem Elschot wist het al: tussen droom en daad staan wetten in de weg. Was hij stoutmoedig, of lucide over onze natuur?
Is de mens van nature goed?
De Chinese filosoof Mencius vond van wel. We spreken nog altijd over “door en door goed” of “te goed voor deze wereld”. Toch blijft elke beoordeling menselijk en dus subjectief. Wat we wél mogen aannemen: ieders leven heeft intrinsieke waarde. Die axiomatische keuze maakt samenleven mogelijk en tilt ons — en onze omgeving — op.
Een kind begint in onschuld. Zijn intelligentie is nog te beperkt om “fouten” te beseffen. Gaandeweg dringen invloeden binnen: opvoeding, omgeving, kansen — positief of negatief.
Om te beschaven temmen we een deel van onze oerinstincten: we plooien ons naar regels en afspraken. Anders wordt samenleven brokkenwerk. Dat vergt intelligentie en cognitieve kennis: waarderen kan alleen wie waarde kan toekennen.
Recent herinnerde Rutger Bregman ons in De meeste mensen deugen eraan dat systemen rond samenwerking en vertrouwen moeten draaien. Sommigen vinden die titel misleidend, alsof “de meeste” automatisch goed zijn. Terecht waarschuwen ze: blind vertrouwen is gevaarlijk; de mens is wispelturig. De geschiedenis leert hoe “goed” kan kantelen in kwaad — vaak rechtgepraat door een doctrine. Gelukkig impliceert Bregman óók dat sommigen níet deugen.
Wat nemen we mee als blijde boodschap? Dat de mens niet van nature slecht is. Maar wie gelooft in de waardigheid van de meesten, moet óók bereid zijn tot kritische zelfreflectie en tot systemen die ontsporing begrenzen. Alleen zo buigen “meesten” het onheil van “sommigen” om naar wat we het goede noemen: een vreedzame samenleving.
(T.V.)



