Ken je die spreuk nog: Daar alleen kan liefde wonen..."
Mijn grootvader was een stoere boer van het streuveliaanse type, rijzig en pezig, meestal stug en zwijgzaam voor zich uitstarend.
Hij kon met enige fierheid terugblikken op zijn “bouwjaar 1860.” Hij wroette zich met bewonderenswaardig geduld een weg door de ups and downs van het leven, met hard labeur en met wisselend succes.
Maar hij boezemde me enorm veel ontzag in. Als knaap was ik bijzonder fier, als ik hem op een wandeling mocht vergezellen. Dan rookte hij steevast zijn pijp, zijn troostpijp, zoals hij ze noemde sinds het overlijden van oma. Wat kon hij daar mooie blauwe kringwolkjes uit tevoorschijn toveren! Die pijp haakte hij dan ’s avonds weer behoedzaam op haar plaats in het grote pijpenrek met daarop de leuze “ hij is geen man die de pijp niet roken kan”. Ik vermoedde dat de tabaksindustrie die leuze had bedacht tot haar eigen meerdere eer en glorie. Want roken deden bijna alle mannen zonder schroom. Roken maakte voor hen het harde leven wat draaglijker. Het leek ook een extra dimensie toe te voegen aan het mannelijk type, net als de ‘tabaksjiek’ die door de boeren gekauwd werd en die dan brede bruine sporen naliet op hun kin. Roken hoorde destijds tot de vanzelfsprekende “slechte gewoontecultuur” van de mannen, en soms ook van de vrouwen. Jongetjes werden verondersteld op hun twaalfde levensjaar de eerste sigaret op te steken. Ze konden al heel snel met hun favoriete merk uitpakken : de groene St.Michel, de Belga, de Boule d’or, de Vega enz.
In grootvaders pijpenrek pronkte een verzameling van zes mooie exemplaren, die in een week tijd wel alle aan de beurt kwamen. Het hing vlak boven zijn leuningstoel, die vlak bij de Leuvense stoof zijn strikte privéplek was. Alleen de katten waren zich daarvan niet altijd bewust, maar ze ontruimden snel de knusse plek als opa naderde.
Een andere spreuk hing boven de schoorsteen met de vrome tekst :
“Daar alleen kan liefde wonen, daar alleen is het leven zoet, waar men stil en ongedwongen alles voor elkander doet”.
Tegelspreuken sierden menige huiskamer. Ze vertolkten zowat het vertrouwen van de bewoners in een deugdzame levensstijl, en vormden voor hen tegelijk een sterke troostende waarheid. Kortom, ze waren erg populair.
Vandaag nog prijken spreuken als “Van het concert des levens krijgt niemand een programma”. En op mijn eerste spaardoosje stond te lezen : “Wie in zijn jeugd niet kan sparen, zal zeker geen schatten vergaren”. Die spreuk is me heel mijn leven bij gebleven, hoewel ik er niet in geslaagd ben van schatten te vergaren.
Van de vele spreuken die in elke huiskamer voorkwamen, stond met stip genoteerd “Eigen haard is goud waard”. Voor onze ouders ging er niets boven het bezit van een eigen woning, een eigen huis. Zeker voor de Vlaming die volgens de traditie geboren was met een baksteen in de maag. Het was destijds een droom die velen nog konden verwezenlijken, maar vandaag kunnen nog weinigen zich die luxe van een eigen woning permitteren.
“Oost west, thuis best” scoorde ook goed. En “Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.” Men mag de hele wereld bereizen, toch komt men graag terug thuis in eigen land, in zijn heimat. Want heimwee kan voor sommigen een pijnigende kwaal worden . We want to touch the green green gras of home.
We kunnen ons blijkbaar moeilijk losmaken uit de sfeer, de gewoonten waarmee we zijn opgegroeid. Spreuken komen ons leven opfleuren en een nieuwe boost geven. Ze staan paraat bij elke gelegenheid. Vooral in de Engelstalige cultuur wordt vandaag grote creativiteit gedemonstreerd, vooral op wenskaarten. Met bij voorbeeld “every cloud has a silver lining” komt men ons de nodige moed en troost inpompen bij tegenslagen.
Handige jongens vinden wel eens humoristische variaties op bestaande spreuken, soms met een niet mis te verstane betekenis. Of men creëert bewust spreuken met een dubbelzinnige bodem, zoals “waar er rook is, is er barbecue”.
Vooral in de vroegere “bruine” dorpscafés kon je ze lezen : “Beter een halve fles dan een leeg glas” en “Eigen bier smaakt het best”. Horatius zou er als promotor van de “carpe diem-lifestyle” nog uitdagend aan toevoegen “ De wijn opent het hart” of “In vino veritas”.
Dan was er ook de stichtende slogan “woorden wekken, voorbeelden trekken. Het goede voorbeeld geven is meer waard dan mooie woorden preken. Want minder stichtend klinkt de spreuk “luister naar mijn woorden, kijk niet naar mijn daden”.
Onlangs snuisterde ik in een rariteitenkabinet. Ik kon me hartelijk amuseren met het lezen van allerhande quotes, traditionele en ook moderne. Tot mijn oog viel op het alziende oog van God, de fameuze driehoek met de goudomrande religieuze spreuk “God ziet mij, hier vloekt men niet”. Een ietwat manke voorstelling van het goddelijke mysterie, maar ongetwijfeld met goede bedoeling refererend naar een soort intieme relatie van de mens met God. Misschien voelden onze grootouders zich veilig onder dat beschermend toekijken van God. Moeder wees ons erop dat vloeken niet paste bij vrome mensen, en dat God met zijn oog begon te knipperen als je vloekte.
God hield dus altijd een oogske in ieders zeil. En dat nam men voor lief. Het lijkt sterk op een concrete voorstelling van wat we vandaag kennen als “Big brother is watching you”. Vroeger hing de prent met Gods oog op een prominente plaats boven onze eettafel. Vandaag kon ik ze hier kopen voor 300 euro.
Mijn grootouders hadden geen tijd om ”zich te haasten”. Waarom zouden ze? Ze konden toen voor alles nog tijd maken. Ze maakten zich ook niet druk over wat de toekomst voor hen brengen zou. Ze beleefden hun dagen goedschiks-kwaadschiks zoals ze zich aanboden. Ze waren zich niet bewust van het feit dat ze onmerkbaar meegezogen werden in de maling van de tijd. Ze kenden nog die gezellige traagheid, die wij nu ‘onrendabiliteit’ durven noemen.
Misschien zat er toch wel iets “goeds” in de “ goede oude tijd” van grootvader. Wie zal het zeggen? Ons heimwee van vandaag is ook niet meer wat het vroeger was. (TV)


