In mijn gemeente, Elverdinge, niet zo ver van Ieper, ligt een prachtig kasteel, midden in een groot uitgestrekt bos. Er is een kleine maar mooie dorpskern en daarrond zijn er tientallen prachtige boerderijen met uitgestrekte velden. Er wordt van alles gekweekt: groenten, maïs, tarwe, bieten, aardappelen en hoppe, wat heel speciaal is in die omgeving.
Naast de regio Aalst is de streek rond Poperinge-Elverdinge- Vleteren wellicht de enige waar nog hoppe wordt gekweekt. In september zie je dan die hoge ranken die ongeveer zes meter hoog kunnen zijn. Rijpe hopbellen, zijn licht geel-groen van kleur, en verspreiden een bijzondere typische geur. Ze bevatten lupuline, een stof die nodig is om goed bier te brouwen. In mijn jeugdjaren trokken heel wat mensen naar de hoppevelden omdat die hopbellen toen nog niet mechanisch konden worden afgetrokken van de ranken. Nu gebeurt alles mechanisch.
Als in september-oktober de velden vrij kwamen, was het de periode van de jacht. Onze kasteelheer en zijn vrouw waren van een oeroude adelijke familie en hadden ook veel relaties in het bedrijfsleven. Zij organiseerden eind september-begin oktober hun adellijke vrienden uit op een paar dagen grote jachtpartijen.
Heel Elverdinge stond die dagen op zijn kop. Wie wat wou bijverdienen, werd “ klopper “ . Dat waren mannen die met een grote stok op de grond of tegen de bomen klopten om het wild op te jagen in de richting van de adellijke schutters. Het woord “ wild “ is hier eigenlijk compleet misplaatst. Waarom? Wel, in grote kooien werden honderden fazanten gekweekt. Een paar weken voor de grote jachtpartijen werden die beestjes losgelaten maar eigenlijk waren die heel tam en gewoon aan mensen. Moest het niet zijn van de kloppers, dan kwamen die fazanten je gewoon toegelopen.
De klopjacht zorgde wel voor ongelofelijke paniek bij de fazanten. De kloppers zorgden ervoor dat ze richting de schutters werden gedreven en daar stonden die adellijke lui klaar om de ene na de andere fazant neer te knallen. Nogal wat van die grote vogels konden ontsnappen en vlogen zo vlug mogelijk weg van die velden. Ze waren zo in paniek dat er ooit een fazant door het open venster in mijn slaapkamer binnen vloog.
Toch wil ik u een grappige anekdote niet onthouden. Een Duits dametje was één van de adellijke schutters. Het blonde dametje, pakweg 30 jaar oud, was mooi gekleed, groen jasje, mooie donkergroene broek en een mooi hoedje met een pluim erop die nog net enkele blonde lokken liet zien. Het dametje had blijkbaar weinig ervaring want hoe vaak ze ook mikte, nooit raakte ze een wegvliegende fazant. Tot opeens….een fazant neerstreek zowat dertig meter voor haar voeten. Het meisje mikte en miste opnieuw. Een Elverdingse volksfiguur, “ Karoge” was zijn bijnaam, had het hele tafereel met veel humor gevolgd. Hij riep naar dat dametje:” Moet ik er misschien met mijn pantoffels naar gooien? “
Het kasteel en de landerijen werden onlangs verkocht. De adellijke familie had nog weinig binding met Elverdinge. De jachtpartijen waren al enkele jaren niet meer georganiseerd. Het bos ademt rust en stilte uit. Misschien goed ook….het waren geen jacht- maar wel slachtpartijen.
Alhoewel ik nu in alle eerlijkheid moet toegeven dat ik een fazantje, met gestoofd witloof of met een peertje gestoofd in de rode wijn nog altijd wel best kan appreciëren.
Jullie misschien ook ?




