Ach, die oude fiets van tante Philomena...
Het bezoek van tante Philomena was voor ons als kinderen altijd een bijzondere gebeurtenis. Niet zozeer omdat ze voor ons lekkere snoepjes meebracht, maar wel om haar merkwaardige zwarte fiets.
Een stevig glimmend exemplaar, dat op sluwe wijze de oorlog had overleefd, omdat oom Jan zo verstandig was geweest om de fiets in september 1944, bij de roemloze aftocht van de Duitsers, op de hooizolder te verstoppen. Ze hadden de fiets gelukkig niet kunnen “klauen”. En dus kon tante na de oorlog fier uitpakken met haar vehicle.
We keken onze ogen uit op dat ijzeren ros met dikke banden, een terugtrap-rem, en een sierlijke lantaarn aan het stuur: een heuse carbidlamp.
Tegen de naaf van het voorwiel zat een plaatje geschroefd. Elk jaar verschilde het van kleur en vorm. Het getuigde van de door de eigenaar betaalde taks. En wij noemden die fiets tantes “trottinette”.
Terwijl moeder met tante Mina koffieklets hield in de oude hoevekeuken, duwden wij voorzichtig de “trottinette” naar de boomgaard. We vonden het bezoek van tante een uitstekende gelegenheid voor een gratis oefening in het leren fietsen. Joyriding avant la lettre dus!
Kinderen mochten pas met een fiets de straat op na hun plechtige communie. Maar voor oefenen op privéterrein was geen vergunning vereist. En vooraf eerst beleefd aan tante gaan vragen riskeerde bijna zeker een negatief antwoord. Dus deden we het stiekem.
We hadden mekaar vooraf al stevig gewaarschuwd voor de dikke appelboom. Verdomd, dat er niemand aan had gedacht, bij wijze van voorzorg, om die bomen even aan de kant te schuiven. Maar onze euforie en overmoed negeerden elke voorzichtigheid. De eerste keer trotseerden we elke mogelijke valpartij. Dat betekende natuurlijk een stevige aanmoediging om verder te oefenen. En inderdaad, de wet van Murphy getrouw : wat kan misgaan, zal ook misgaan.
Blijkbaar hadden we synchroon sturen en tegelijk op de terugtraprem duwen schromelijk onderschat. De tweede keer vloog ik met de fiets en mezelf natuurlijk, tegen vaders dikke renettenboom. Gelukkig liep ik niet zoveel averij op. Met een buil op mijn voorhoofd kon ik die dag wel leven. Hiermee eindigde onze fun met joyriding.
Maar tantes fiets, en vooral die sierlijke carbidlantaarn! Jongens toch, daar ging wat zwaaien. We trachtten de tweewieler voorzichtig weer naar zijn uitgangs- parkeerpositie te loodsen en van krommenaas te gebaren. Misschien merkte tante straks niet eens dat de lantaarn scheef stond.
Een doodgewone na-oorlogse fiets was toen nog een respectabel, waardevol vervoermiddel voor de buitenmensen, al moest je je te pletter trappen op een helling. Want van versnellingen was toen nog geen sprake. De voorvaders van deze fietsen stonden al een tijdje van hun pensioen te genieten in een of ander museum.
Ze noemden vélocipède en hoge bi. Alleen voorname lui voelden zich rond de jaren 1900 aangetrokken tot die sportieve, primitieve tweewielers met een groot voorwiel en een klein achterwiel, en met de trappers gemonteerd op de naaf van het voorwiel. Waarschijnlijk destijds een spectaculaire uitvinding, maar niet zo comfortabel, lijkt me.
Ik vermoed dat mijn grootvader, die mocht terugblikken op het geboortejaar
1860, zich als hard zwoegende landbouwer, nooit een ritje op een hoge bi heeft kunnen veroorloven. Toch werden er voor dergelijke vehicles rond 1900 al wielerwedstrijden georganiseerd. Een topspektabel moest dat zijn!
De safety- fiets van John Kemp Stanley, voorzien van Dunlop luchtbanden, werd de stoere voorloper van onze moderne stadsfiets.
Ook Thomas Stevens vereeuwigde zijn naam met zijn avontuurlijke fietsexploten over lange afstanden in Europa.
In de 20ste eeuw stelde men zich nog geen vragen over mogelijke snelle technologische evolutie van onze tweewieler. Maar in sneltreintempo werd rond de laatste eeuwwende onze markt overrompeld met gesofisticeerde racefietsen met complexe, vernuftige versnellingsapparatuur.
Vandaag is het al electric wat de klok slaat, van de e-step en e-scooter naar de e-bike en de speed pedelec. Om nog maar te zwijgen over rare e- ligfietsen en e-bakfietsen van diverse pluimage.
Wat zou Leopold II denken, als hij zich vandaag in het Brusselse verkeer zou wagen met zijn driewieler, op weg naar zijn maîtresse “Ma très belle, Blanche Delacroix, barones van Vaughan”! Zijn vehicle staat momenteel als een ietwat beteuterd artefact ,van een welverdiende rust te genieten in het legermuseum te Brussel.
We kunnen nog wel even doorgaan met beschouwingen over de fiets, de vélo, het ijzeren ros, of welke andere benaming hem ook werd toebedeeld.
Merkwaardig dat men tot op de dag van vandaag het nog niet eens is over de etymologische afkomst van de term ” fiets”. Daarom vragen wij ons liever af hoe de vertrouwde tweewieler er in de nabije toekomst zal uitzien.


