Straks is het Pasen en dat roept bij mij meteen plezante herinneringen op. Wil je even meegenieten met mijn speciale paasbelevenis?
Ik was een jongetje van pakweg twaalf jaar en in onze gemeente was iedereen katholiek, buiten één enkel gezin dat altijd vreemd werd aangekeken. Op een goede dag moesten we allemaal in de klas voor de pastoor een stukje luidop lezen. Die man had dan glimlachend voor elke leerling een lovend woordje. Als iedereen aan de beurt was geweest, vroeg hij drie jongens even apart. We keken wat verwonderd op, maar de pastoor stelde ons gerust:” Ik heb misschien een leuke opdracht voor jullie! Ik kom vanavond bij je ouders langs om voor te stellen dat jullie misdienaar worden!” Wij, jonge pagadders keken naar elkaar en we wisten nu echt niet of we blij moesten zijn met deze opdracht.
Ik werd misdienaar, niet omdat ik zo gelovig was maar omdat ik Italiaans kende en de Latijnse teksten hierdoor vlot kon lezen. Ik herinner me vooral dat ik als misdienaar vroeg moest opstaan om de mis van zeven uur te halen. Nuchter, want de pastoor stond er op dat je ook de communie nam. Heel lang heb ik dat niet volgehouden maar dat vertel ik jullie straks wel. Eerst mijn leuke paas belevenis.
Enkele dagen voor Pasen vroeg de onderpastoor mij mee om de communie te brengen naar zieke mensen die niet naar de kerk konden komen. Ik moest mij omkleden met de lange rode toog en de witte superplie. Omdat het ‘s morgens vroeg nog donker was, kreeg ik een lantaarn met een kaars en een grote bel. De wagen van de koster reed ons rond van boerderij naar boerderij, of naar bedlegerige mensen die soms in kleine huisjes tussen de velden woonden. De bel en de lantaarn kwamen goed van pas want veel van die zieken woonden “ te lande“, de opritten waren in kasseien of gewoon juist wat verhard en de kaarsverlichting, hoe schraal ook, kwam goed van pas. De bel hard luiden was nodig om onze komst aan te kondigen. Dat geluid van die bel vroeg in de morgen ergens in de velden in het halfduister was vreemd.
Het was een grote ronde. We werden overal echt warm onthaald en op sommige boerderijen kregen we een doos eieren.
Toen we terug in het dorp aankwamen, moest ik mee gaan ontbijten in het klooster dat vlakbij de kerk lag. Een jong lief kloosterzusterke deed de deur open en zij begeleidde mij naar een klein kamertje waar een tas koffie stond, twee sneden brood en twee sneetjes salami. Mijn ontbijt. De onderpastoor mocht verder mee met de zuster. Na vijf minuten was ik al klaar. Nu wachten op de onderpastoor. Ik hoorde de pastoor en de kloosterzuster luid praten, giechelen…en dat duurde, duurde….Toen ging ik kloppen op de deur. De zuster kwam zeggen dat de pastoor nog vijf minuutjes nodig had om te ontbijten. Voor ik iets kon zeggen ging de deur alweer dicht. Verdorie, dat ontbijt van de onderpastoor duurde bijna langer dan de hele vroege rondrit in het dorp.
Mijn carrière als misdienaar heeft niet lang geduurd. Telkens als ik moest zwaaien met het wierookvat, had ik braakneigingen. Meestal echt, soms al eens geveinsd want ik zal nooit echte roeping als misdienaar hebben gehad.
Nu het bijna pasen is, borrelen die herinneringen terug op. En de bedenking….in mijn dorp zijn er bijna geen missen meer, laat staan dat er nog een pastoor is die de rondgang doet naar afgelegen boerderijen….en zou er nog een jonge misdienaar gevonden worden die voorgaat met een grote bel en een lantaarn met een klein kaarslichtje?
Je mag het mij laten weten.
Dit cursiefje werd geschreven door Enzo Farina, die toen als “ jonge misdienaar “in Elverdinge woonde. Reacties zijn zeker welkom op zijn emailadres info.cursief@gmail.com





