“Mijn grootvaders klok was een deftige klok, met haar uurwerk zo goed en secuur. Ze was wel honderd jaar oud, maar ze tikte en sloeg nog ieder uur”.
Wie kent het niet, dat beroemde lied van Henry Clay uit de 19de eeuw. Het klinkt me nog steeds vertrouwd in de oren. Onze meester leerde het ons aan in het vijfde leerjaar. De sentimentele tekst vergezelt me al een leven lang en is vandaag meer dan ooit symbolisch voor mij als een gevorderde senior.
Want ik herkende die klok. Het was die van mijn grootvader. Ze hing in onze woonkamer tegen de wand. Een gewaardeerde gids die de bewoners al honderd jaar op haar ritme door de dagelijkse beslommeringen heen loodste. Ze stuurde me op tijd naar bed, ze wekte me iedere dag, ze deelde mijn verdriet, ze begroette me liefdevol met haar prachtige sprookjesklank, telkens ik na een lange periode weer thuis kwam.
Vandaag kijk ik vol ontzag naar mijn oude wandklok, die onvermoeibaar de seconden van mijn lange leven gestaag blijft afknagen. Om haar wreedheid wat te verzachten, bezorgt ze me in ruil om het uur een lieflijk concertje. Met weergaloze beiaardklanken blijft ze de uren verslaan. Een wonder van techniek om hier ons broos en vergankelijk leven wat op te vrolijken. Maar intussen beseffen we beiden wel dat het uur der waarheid steeds dichterbij komt. Ooit zal ze stil blijven staan. Ooit zal ook mijn leven stil vallen.
Mijn grootvaders klok die het dagelijks ritme op de hoeve bepaalde in goede en kwade dagen, in wel en wee. Soms geprezen, soms vervloekt. Vandaag mag ze trots met het statuut van “artistiek erfstuk” pronken. Ze kreeg intussen zoveel concurrenten om zich heen om de tijd te meten. Toch is ze niet afgunstig op haar digitale soortgenoten. Ze is zich voldoende bewust van haar nobele klasse.
Van mijn kindsbeen af was de klok omwille van haar mooie klank mijn knusse levensgezel. Ik ben altijd aan haar verknocht gebleven. Ze regelde mijn kinder- en tienertijd.
Toen ik het ouderlijk huis voor goed verliet, moest ik haar noodgedwongen achterlaten. Ik miste haar enorm. Het was alsof ik mijn beste vriend in de steek liet. Het betekende tegelijkertijd ook dat ik haar mijn jeugd als onderpand afstond.
Ik had de indruk dat ze bij de erfdeling mij had uitverkoren, dat ze weer het liefst bij mij wou zijn. En daar had ik zeker geen bezwaar tegen. Ik heb haar letterlijk in mijn armen gesloten, voortaan als een dikke vriend voor het leven.
Vandaag blijft ze me elk uur met veel egards begroeten, geeft ze me een warm houvast, en vele heerlijke klankrijke knuffels.
Ik bewonder haar. Ze helpt me soms mijmeren over de tijd van toen, toen nog alles anders was voor haar en voor mij. Ze was getuige van het wel en wee van drie generaties, van oorlog en bevrijding, van gejubel en gejammer. Bij een overlijden in de familie deelde ze ons verdriet. Dan werd haar voor enkele dagen het zwijgen opgelegd.
Om haar vriendschap met mij te beklemtonen “slingert” ze me af en toe een geruststellende boodschap toe : “alles in orde, oude makker?” Haar bemoedigend getik fluistert er nog zacht aan toe “volhouden, kerel, we zijn er nog lang niet”
Heerlijk toch die vriendschap van een levensgezel met zoveel ervaring. Een vriend die me door het getiktak met de broze relativiteit van het leven confronteert.
Ik hoop dat we beiden niet tegelijk van het aardse podium zullen verdwijnen, zoals de tekst van het lied vertelt.
Hoe dan ook, geen van ons twee heeft zijn eigen lot in handen. En ik weet heel zeker dat de klok weldra met één “tiktak”, één klokslag, één slingerbeweging, het lot van een vriend zal bezegelen. Wat er dan met mij en de klok zal gebeuren, wil ik liever niet weten. Het zal dan in de familie weer beangstigend stil worden. Want een reis naar de eeuwigheid zal zo lang, zo onwaarschijnlijk lang duren…zonder mijn grootvaders klok.
THIEU VANHEES



