.
.
.
IK DEEL IK DEEL AL ZIE IK SCHEEL
IK DEEL AL WAT IK VIND
IK WAS EN BLIJF EEN KIND
.
.
.
Garmt Stuiveling uit zijn bundel Elementen (1931)
Daar is geen einde,
daar is geen begin:
het enig zijnde
is wisseling;
het enig blijvende
is het steeds drijvende
stuwende ritme dat alles wendt,
dat bloei en verderven gaan,
leven en sterven gaan,
enkel als beelden kent,
als spiegelbeelden in ruimte en tijd
van zijn bewegende eeuwigheid.
Daar is geen einde
en geen begin:
het enig zijnde
is wisseling
Tussen 't luide werken en bewegen van der vele mensen druk bestaan ga 'k gelijk een schuchter kind de wegen die de stem der schoonheid mij doet gaan.
&
&
&
De herders
Omdat eenvoudigen verstaan
Wat door geen ingewikkeld zoeken
Noch lezen in geleerde boeken
Begrepen wordt of nagegaan,
Zijn herders toen in uwe stal
Geknield en hebben U aanbeden;
Dit is tweeduizend jaar geleden
En nog weet elk het overal.
Geen mens heeft ooit hun naam gemeld;
De rest van hun onschuldig leven
Is door geen wetenschap beschreven,
Wordt slechts aan kinderen verteld.
Anton van Duinkerken (1903-1968)
&
&
&
Toen ik verloofd was met René
die zoveel hield van Hemmingway,
las ik het werk van Hemmingway
omdat dat werk me zoveel dee.
Maar toen het uit was tussen ons,
toen kreeg ook Hemmingway de bons.
Daarna was ik met Guus verloofd
en kende Ibsen uit mijn hoofd.
Later, met Peter, hield ik zo
enorm van Valéry Larbaud.
Maar ik ben nooit verloofd geweest
met iemand die Homerus leest,
en ik heb nooit een man bemind
die Rabelais het hoogste vindt.
En dus zijn er nog verscheiden gaten,
helaas, in mijn cultuur gelaten.
Ik hoop nog altijd op Pascal,
maar wat dan ook, in elk geval:
hoe meer het aantal liefdes stijgt
hoe meer ontwikkeling men krijgt.
Annie M.G Schmidt (1911-1995)
&
&
&
Mijn vriend, weet gij niet
Dat al wat wij hier zien
Een weerschijn slechts, een schaduw is
Van wat ons oog niet schouwen kan?
Mijn vriend, hoort gij niet
In elk geluid dat ons bereikt
Een zwakke echo slechts, een weerklank
Van een volmaakte symfonie?
Wladimir Solowiew
Aus: Ernste Gedichte
&
&
&
Het lied van de aanpassing
Zeg, wat las ik in de krant?
Nederland, ons Nederland
is gastvrij voor alle rassen,
als men zich maar aan wil passen.
Mens en dier! Mens en dier!
Houd je aan de regels hier.
Ja, men hoort nu ook al klagen
dat de vogels zich misdragen.
Elke vogel zingt zijn lied
en dat pikken wij hier niet.
Waarom dragen vogels veren,
lang zo netjes niet als kleren?
Mus en merel, kraai en haan,
pas je aan! Pas je aan!
Zouden jullie nou die gekke
vleugels niet eens uit gaan trekken?
Haan, hou op met je gekraai.
Pauw, het staat je niet zo fraai
om je staart maar te vertonen
aan de buren die hier wonen.
Merel krijgt een fluitverbod.
Mus moet plassen in een pot.
Uil mag "s nachts niet wakker wezen.
Roodborst moet de bijbel lezen.
Heus, wij vinden vogels fijn,
als ze maar gekortwiekt zijn.
uit: Verzamelde liedjes en gedichten %u2013
Willem Wilmink
&
&
&
De minor poet
Zijn leven was een stille bundel van één vel.
Zijn dood een kastlijnnieuwtje, nonparel.
Toen hij, verijld reeds, klopte op de hemelpoort
had Amsterdam al nooit van hem gehoord.
Maar d'engel boog voor hem als een chasseur.
O ja, meneer, u is terecht bij deze deur...
In het portaal weerklonken vreugdezangen.
De Penclub had hem nooit zo goed ontvangen.
De dichter dacht: Verdomd, ik mag erin...
Hij had getwijfeld, maar dit soepele begin
schonk hem bewijs der hemelse gerechtigheid.
Straks, dacht hij, krijgt m'n werk nog eeuwigheid
en valt mijn bundel, door een drukje op de knop,
Van Vriesland* toch nog als een meesterwerkje op.
Hij zag zich al gedundrukt door Van Oorschot
en mompelde: Ga ik dan niet teloor, God?
De engel vroeg: Hebt u een wens of een bevel?
Als 't niet te dol is plooien we dat wel.
Een wolk alléén, of liever bij een vriend,
om wiens verscheiden u onmatig hebt gegriend?
Naast Shakespeare!riep de dichter ambitieus
tegen de engel, die niet grijnsde om zijn keus.
Goed, klonk het. Ik zal dadelijk voor u bellen.
Maar wilt u mij die naam dan even spellen?
Simon Carmiggelt (1913-1987)
&
&
&
Stabat mater
Stabat mater dolorosa
Iuxta crucem lacrimosa,
Dum pendebat filius;
De moeder stond door smart bevangen
en met tranen langs haar wangen
waar haar zoon gekruisigd hing
Cuius animam gementem,
Contristantem et dolentem
Pertransivit gladius.
en het was haar in haar lijden
of een zwaard haar kwam doorsnijden
dat dwars door het hart heen ging.
O quam tristis et afflicta
Fuit illa benedicta
Mater unigeniti!
Hoe verdrietig en verloren
was de toch zo uitverkoren
moeder die hem 't leven gaf.
Quae maerebat et dolebat
Et tremebat, cum videbat
Nati poenas incliti.
Ze moest klagen, ze moest rouwen
en ze beefde bij 't aanschouwen
van zijn vreselijke straf.
Quis est homo, qui non fleret,
Matrem Christi si videret
In tanto supplicio?
Wie voelt er geen tranen komen,
die daarheen wordt meegenomen,
waar hij Christus' moeder vindt?
Quis non posset contristari,
Piam matrem contemplari
Dolentem cum filio?
Wie zou tranen binnenhouden
als hij dat verdriet aanschouwde
van de moeder bij haar kind?
Pro peccatis suae gentis
Iesum vidit in tormentis
Et flagellis subditum,
Zij zag wat hij heeft geleden
voor het kwaad dat mensen deden,
zag de zwepen, zag het slaan,
Vidit suum dulcem natum
Morientem, desolatum,
Cum emisit spiritum.
hoorde 't kind, door haar gedragen,
stervende om bijstand vragen,
zag hoe hij is doodgegaan.
Eia, mater, fons amoris,
Me sentire vim doloris
Fac, ut tecum lugeam;
Vrouw van liefde en genade,
wil toch op mijn schouders laden
alles wat u lijden doet.
Fac, ut ardeat cor meum
In amando Christum Deum,
Ut sibi complaceam.
'k Wil mijn hart aan hem verpanden,
laat mij dan van liefde branden
opdat ik hem zo ontmoet.
Sancta mater, illud agas,
Crucifixi fige plagas
Cordi meo valide;
Moeder, wil mijn hart bezeren
met de wonden die hem deren,
die zo nederig wilde zijn
Tui nati vulnerati,
Iam dignati pro me pati
Poenas mecum divide.
om te lijden voor mijn zonden.
Laat mij lijden aan zijn wonden,
laat mij delen in de pijn.
Fac me vere tecum flere,
Crucifixo condolere,
Donec ego vixero.
Laat mij huilen aan uw zijde,
laat het kruis ook mij doen lijden
tot ik zelf eens doodgaan moet:
Iuxta crucem tecum stare,
Te libenter sociare
In planctu desidero.
'k wil mij naar het kruis begeven
om daar met u mee te leven
in wat hem zo lijden doet.
Virgo virginum praeclara,
Mihi iam non sis amara,
Fac me tecum plangere,
Stralende, ik moet u eren,
wil u toch niet vàn mij keren,
laat mij huilend bij u staan.
Fac, ut portem Christi mortem
Passionis eius sortem
Et plagas recolere.
Laat mij Christus' dood ervaren,
laat mij in mijn hart bewaren
al wat hem is aangedaan.
Fac me plagis vulnerari,
Cruce hac inebriari
Ob amorem filii;
Laat zijn pijnen mij genaken,
laat het kruis mij dronken maken
van de liefde voor uw zoon
Inflammatus et accensus
Per te, virgo, sim defensus
In die iudicii.
en wil dan mijn voorspraak wezen
als ik 't helse vuur moet vrezen
na het oordeel voor zijn troon.
Fac me cruce custodiri,
Morte Christi praemuniri,
Confoveri gratia;
Laat het kruis over mij waken,
laat zijn dood mij sterker maken,
zodat hij me begeleidt
Quando corpus morietur,
Fac ut animae donetur
Paradisi gloria.
en mijn ziel, als 't lijf moest sterven,
de verrukking doet verwerven
die de hemel ons bereidt.
Anoniem, 13e eeuw Willem Wilmink
&
&
&
Zuivering
Sinds Adam in het paradijs
Met Eva heeft gesmoesd
En in zijn dwaasheid juist ging doen
Al wat hij laten moest;
Sinds hij zich ging vermaken
Met zijn Efie in het gras,
Werd heel de mensheid dupe
Wijl de zaak niet zuiver was.
Er volgde spoedig narigheid:
Er viel uit hoge sfeer
Een vlammend zwaard al hakkend
Op het jonge paartje neer.
Het stel werd uitgedreven,
Zondaar Adam en zijn vrouw,
En teelde dan een nakroost
Waar geen haar aan deugen wou.
De ene werd een moordenaar,
De ander een jurist;
Een derde kwam rijk aan de kost
Met zwendel en een list.
Een vierde leefde van een vrouw
Of aasde op verval,
Maar die het buskruit uitvond
Kwam niet terug uit het heelal.
Het adamskroost werd scharrelaar
In jajem en antiek.
Het zaaide 's morgens rogge uit
En in de noen paniek.
Het bracht profeten aan het kruis
En vorsten op 't schavot
Of sloeg, wat schreeuwend was geëist
Weer zingende kapot.
Het huilde bij een kindergraf
En danste om het puin
Het vond een veldslag interessant
Maar blote waarheid schuin.
Het steeg als Christen hemelwaarts
Met bommen van een ton
Of kroop in godverlatenheid
Voor een sigarettenbon.
Het nakroost van het schandepaar
Leeft op de aarde voort:
Nog heeft de ene helft in strijd
De andere niet vermoord.
Nog wordt er vree gesloten
En gepoogd om het fatsoen
Wat grond en kleur te geven
Door veel schrobben en geboen.
Het kleine goed gaat in de kuip,
Staat suddrend in het sop.
Het groot formaat hoort aan de lijn,
Maar niemand hangt het op!
De aarde draait in duizelvaart
Op voorgeschreven baan
En lachend in gebondenheid
Volgt blinkend blank de maan
Willem van Iependaal
pseudoniem van Willem van der Kulk,
Rotterdam, 24 maart 1891 - Baarn, 23 oktober 1970
&
&
&
Geef mij eenmaal, het deert mij niet hoe kort,
De vrede van een hart dat niets meer schort.
Zo bad ik, toen ik jong was, in mijn nood.
Is, wat ik vroeg, iets anders dan de dood?
Maar ik wist het niet en achter tred en lust
Was 't ene, dat ik steeds begeerde, rust.
Nu, wetend dat mijn hart het leven wil
Wordt de oude ontbering eind'lijk in mij stil.
Wat mij zo smartelijk gescheiden scheen,
Onrust en rust, ik voel hen beide in één.
Dit is de vrede; een diep en helder licht
Doorglanst mijn zacht gepeins, mijn stil gezicht.
P.N.van Eijck
&
&
&
Geen dag kan zo beginnen
Geen dag kan zo beginnen,
als deze dag begon;
ik kwam mijn kamer binnen
en daar was enkel zon.
De klok was staan gebleven,
maar ik vroeg naar geen uur;
de tijd was opgeheven,
daar was slechts licht en duur.
En duur en licht en luister;
de winter was voorbij;
in rouwfloers sloop het duister
en vluchtte weg van mij.
De zon op drup en perel,
viel over knop en tak;
en voor me zong de merel
op buurmans pannendak.
Geen dag kan zo beginnen,
als deze dag begon:
ik kwam mijn kamer binnen
en daar was enkel zon.
Jac. van Hattum (1900-1981)
&
&
&
Een jongen verzoekende op de kermis te gaan
Een jongen sprak beschroomd aldus zijn vader aan:
Ach! mocht ik, als 't u blieft, mee na de kermis gaan?
Mijn neefjes staan gereed. De man zei: 't mag niet wezen.
Gij moet hier stil in huis de catechismus lezen.
Denk, wat Salomon heeft gezeid:
De wereld is maar ijdelheid,
Een opgesmukte pop, waarvoor de jeugd moet vrezen.
Ja, sprak de jongen, dat zei Salomon misschien
Nadat hij honderdmaal de kermis had gezien.
Pieter Langendijk (1683-1756)
De Camee
&
&
&
In 't hellend vlak van berg en tijd
Sneed ik jouw beeld voor de eeuwigheid.
Betrouwbaarder dan een penseel
Zijn immers beitel en houweel.
In 't land van mannen en van ijs
Van vroege rimpels en vroeg grijs,
Heb ik dit vrouwelijk gelaat
Geschapen als een wanhoopsdaad..
Ik heb de rots met jouw portret
Toen in een ring van sneeuw gezet,
En wolken om de ring gedaan
Om niet van weemoed te vergaan.
Varlam Sjalamov (1907-1982)
&
&
&
The night has a thousand eyes
And the day but one:
Yet the light of the bright world dies
With the dying sun.
The mind has a thousand eyes
And the heart but one:
Yet the light of a whole life dies
When love is done.
Francis Bourdillon (1852-1921)
&
&
&
Troostvogel
Wanneer je soms iets naars beleeft
Je niet mag uitgaan door de regen
Of slaande ruzie hebt gekregen
Met iemand waar je veel om geeft.
Als speelgoed door een mankement
Niet meer zo leuk is als tevoren,
Je kwartje erger is verloren,
Kortom als je verdrietig bent:
Dan komt de vogel met zijn lied.
Je hoort hem, maar je ziet hem niet
En als hij voor je heeft gezongen
Dan vliegt hij weg met jouw verdriet.
Zolang er kinderen bestaan
Is hij ze altijd komen troosten,
In Doesburg of in't verre Oosten
Of waar hij ook naar toe moest gaan.
De vogel werd in al die tijd
Nog nooit beschreven of geschilderd.
Is hij beeldschoon of erg verwilderd?
Daarover heerst onzekerheid.
In elk geval, hij meent het goed,
Ofschoon, door alles wat ie doet
Je kans hebt dat je noodgedwongen
Een tijdje op hem wachten moet.
Dan komt de vogel met zijn lied.
Je hoort hem, maar je ziet hem niet
En als hij voor je heeft gezongen
Dan vliegt hij weg met jouw verdriet.
Drs P
&
&
&
Epitaph on a Tyrant
Perfection, of a kind, was what he was after,
And the poetry he invented was easy to understand;
He knew human folly like the back of his hand,
And was greatly interested in armies and fleets;
When he laughed, respectable senators burst with laughter,
And when he cried the little children died in the streets.
W. H. Auden (1907-1973)
&
&
&
Het Kind
Wonderlijk is het kind verbonden met de dingen:
Zachte schaduw van blaren op de grond,
Een kleine ritselende rots seringen,
Het vonkend water in de havenmond,
Het lichte wiegen van sneeuwvlokken, 't glijden
En smelten langs het warme vensterglas,
Het dof-muziekend ijs waar schaatsers rijden
En hij terzij staat op 't bevroren gras:
Hij weet het niet, maar door zijn grote ogen
Zinkt het als in een onvertroebeld meer
En, ouder geworden, over zichzelf gebogen,
Vindt hij het alles op de bodem weer.
W.Hessels (1906-1949)
&
&
&
Allen, die hier tesamen zijn,
de levenden, de doden,
de handbreed, die ons scheidt, is klein,
wij zijn tesaam ontboden
voor het gericht ... Gedenk de liefste, die hier ligt,
de broeder, vrind of vader,
maar gun Uw ogen wijder zicht,
aanzie het land en alle mens tegader,
hoor dit bericht: Wij staan tesaam voor het gericht
voor goed of kwaad te kiezen,
een volk dat voor tirannen zwicht
zal meer dan lijf en goed verliezen
dan dooft het licht
H.M.van Randwijk
&
&
&
Een mens lijdt dikwijls 't meest
Door 't lijden dat hij vreest
Doch dat nooit op komt dagen.
Zo heeft hij meer te dragen
Dan God te dragen geeft.
Het leed dat is, drukt niet zo zwaar
Als vrees voor allerlei gevaar.
Doch komt het eens in huis,
Dan helpt God altijd weer
En geeft Hij kracht naar kruis
Auteur Onbekend
&
&
&
Het leven is
Slechts
Een korte onderbreking
Van de dood
&
&
&
De bomen, dat zijn geen bomen
Zonder de bladen.
De vromen, dat zijn geen vromen
Zonder de daden.
Men zegt als rijken drinken:
Dat gaat er vrolijk toe!
Als armen drinken scheldt men 't
Voor dronkemansgedoe.
Hendrik de Vries
&
&
&
Tijd is geen lijn
Tijd is geen lijn, maar is een kring:
dezelfde zachte schemering
doet de dag open en weer dicht.
De laatste ster geeft als eerste weer licht.
Soms lijkt het voorjaar terug te komen
in de oktoberbomen.
Tijd is een cirkel en geen lijn,
daarom is oma weer zo klein.
Ze is geen enkel woordje kwijt
van wat ze zong in haar kindertijd.
Maar wat er kwam nadat ze trouwde,
heeft ze niet meer onthouden.
Tijd is een cirkel en geen lijn,
eerst deed het krimpen flink wat pijn,
een groeipijn, maar dan omgekeerd,
want gisteren moest nog worden verleerd.
Haar hele middelbare leven
moest uit haar geest verdreven.
Tijd is geen lijn, maar is een kring:
dezelfde zachte schemering
doet de dag open en weer dicht.
De laatste ster geeft als eerste weer licht.
Soms lijkt het voorjaar terug te komen
in de oktoberbomen.
Tijd is een cirkel en geen lijn:
de buren die gestorven zijn,
die komen volgens oma hier.
Daar komen ze: in een janplezier.
Ze zullen oma wel verleiden
om met hen mee te rijden.
© Willem Wilmink
&
&
&
Kannibalen
Wij zijn de kannibalen
Wij eten mensenvlees
En valt er wat te vieren
Dan eten wij Chinees
Marjolein Kool
&
&
&
Dorrestijns rondeel"
Wie zijn medemensen kent
Die slikt geen vitaminepillen
Maar strychnine zou hij willen
Die ernstig zijn gezondheid schendt
Wie zijn medemensen kent
Hij nam giftig moederkoren
Zou lachende de doodsklok horen
Wie zijn medemensen kent
Die ziet men heus geen appel schillen
Die slikt geen vitaminepillen
Maar kopergroen, sulfaat, carbid
En een doodsstrijd had hij niet
Die is een fluitje van een cent
Voor wie zijn medemensen kent...
Hans Dorrestijn
&
&
&
Bethlehem
We stonden nietsvermoedend in de stal
Toen kwam dat jonggehuwde stel eraan
En was er prompt een zuigeling geboren
Er werd, kortom, van alles aan gedaan
Om onze nachtrust grondig te verstoren.
Het kraambezoek gedroeg zich onbeschaafd,
Er waren herders met hun toebehoren.
Uitheemse typen kwamen opgedraafd
En engelen, het leek wel carnaval!
Wij dieren zijn toch altijd weer de klos.
Wie komt ons eens bevrijden?
Ezel.
Os.
Drs P
&
&
&
Ballade van de kleinigheden
Ik ken de brokken in de melk
Ik ken de mensen aan hun frak
Ik ken de bloemen aan hun kelk
Ik ken de appel aan z'n tak
Ik ken Jan Vlijt en Jan Gemak
Ik ken de zon en 't regenlied
Ik ken de snelle en de slak
Ik ken alleen mezelve niet
Ik ken de monnik aan z'n pij
Ik ken het wambuis aan de sjaal
Ik ken de heer aan z'n lakei
Ik ken de nonnen aan hun voile
Ik ken de gokker aan z'n taal
Ik ken de wijn aan z'n gebied
Ik ken de zotten aan hun maal
Ik ken alleen mezelve niet
Ik ken het muildier en de paarden
Ik ken hun last, hun pak, hun kracht
Ik ken de fiches en hun waarde
Ik ken, en neem me dus in acht
De zonde van 't Boheems geslacht
Ik ken Yvonne en Margriet
Ik ken de sterke Roomse macht
Ik ken alleen mezelve niet
Prince, ik ken het altegader
Ik ken wie bleek, wie donker ziet
Ik ken de dood, ons aller vader
Ik ken alleen mezelve niet...
François Villon (1431-1463)
&
&
&
Goudple4
Ik ben all1 en voel me nietig
En het is ook nog ku2r hier
En in de verte klinkt ver3tig
De klaagzang van de goudple4.
Ivo de Wijs
&
&
&
Belgisch Bier
Zeg wat wilde gij voor bier,
Sanctus, Duvel, Tempelier,
Gildenbier of Afflighem
of Jack-op uit Wolvertem?
Speciale Aerts misschien
of een Breendonk's Vitamien?
Rochefort of Kriek Lambic,
Palten, Koninck, Liefmans Kriek?
Mater, Paters vat, Floreffe,
Rubens Bier of Christmas Leffe?
Vader Abt of Cardinal
of een tripel van Westmall'?
Stella, Maes of BST,
Witkap Tripel of Chimay,
Witkap Stimulo, Maibock
of een Gueuze Van den Stock?
Een Grand Cru? Een Maredsous?
Een Wets-Vleteren uit Wattou?
Extra Moortgat of Orval,
Pieter Pauwel of Chrystal?
Hoegaards Wit Bier of Lamot,
Rodenbach of Tongerlo?
Chevalier of Ide Pils?
Vriend, ik heb voor elk wat wils.
Willem Wilmink. 1936 - 2003
Uit: Ernstig genoeg. Liedjes en gedichtjes vanaf 1986.
&
&
&
Huiswaarts.
Dat men zich in de weg vergiste
en vaak tegen de bierkaai vocht,
dat men de beste kansen miste
-te hoog toch werd het doel gezocht-
dat veel onhaalbaar is gebleken
en zo wanhopig onvervuld
tot aan het allerlaatste teken
van een symbool, in zwart gehuld,
dat is geen avondmeditatie
van dominee of kapelaan:
't is gewone conversatie
als supporters huiswaarts gaan
Willem Wilmink
&
&
&
Ik wou zo graag
Ik wou zo graag een toverpen
voor Nederlandse taal.
De woorden, die ik echt niet ken,
verbeterde de toverpen,
onzichtbaar, allemaal.
Ik wou zo graag een rubber vel,
het zwembad is zo lang,
dan dreef ik eindelijk es wèl,
gewoon maar op m'n rubbervel
en was ik niet meer bang.
Ik wou zo graag een wonderpil.
Dan kon ik voor de klas
de beurten maken die ik wil,
omdat ik door de wonderpil
niet meer verlegen was.
Ik wou zo graag met een feeënstaf
naar aardrijkskunde gaan,
dan wist ik er genoeg van af,
dan wees ik met de feeënstaf
de goeie stippen aan.
Ik wou zo graag, ik wou zo graag,
gebeurde het nou maar,
het hoeft niet eens meteen vandaag,
maar morgen dan, ik wou zo graag.
Waar woont de tovenaar?
Peter Jaspers
&
&
&
Het Glas
Waardoor toch heerst in menig huis,
Zoveel krakeel, gevloek en gedruis?
Waardoor slaat menigeen zijn vrouw?
Waardoor komt menigeen in rouw?
Waardoor komt men in de schuld?
Waardoor 't gevang gevuld?
Waaraan wordt geld besteed,
Zo zuur verdiend in zweet?
En waardoor jaagt de zoon
De moeder uit de woon?
Waardoor vandaag
Zoveel geklaag?
Is 't niet door 't glas
Dat ras
Zoveel
Krakeel,
Onrust,
Onlust,
Lawijt,
En spijt
En armoe baart.
't Maakt beurzen plat en hersens rot,
En wijst de weg naar tuchthuis en schavot.
Uit: de Kruisvaan (1905)
&
&
&
Het kauwgumkind
Het kauwgumkind weet nog niet goed,
hoe of het zich gedragen moet.
Vaak kijkt men stomverwonderd toe
en denkt, dat kind lijkt wel een koe.
Het blaast een bobbel voor z'n mond
en kijkt dan heel verdwaasd in 't rond.
Het kind heeft ook een kauwgum-Ma,
en die komt uit Amerika.
De kauwgum-Pa kauwt op kantoor
van negen uur tot zes uur door.
Wanneer er thuis gegeten wordt
legt elk z'n kauwgum naast z'n bord.
En nauw'lijks is het maal gedaan,
of elk vangt weer te kauwen aan.
Eerst als men 's nachts de ogen sluit
spuwt elk verveeld z'n kauwgum uit.
Jac. van Hattum


