Begin oktober. Ik zit op een terrasje. Zonder jas.
Voor mij staat een frisse pint, boven mij hangt een blauwe hemel en naast mij zit een meneer in korte broek. Op zijn benen na ziet hij eruit alsof hij zich uitstekend amuseert.
“Er zijn geen seizoenen meer”, zegt hij.
Ik knik. Dat zeggen wij graag, op onze leeftijd. Het is een zin waarmee je een heel gesprek kunt beginnen zonder iets te moeten bewijzen.
Vroeger waren er seizoenen. Vier stuks. Mooi op hun beurt.
Althans, zo herinneren wij ons dat.
De zomer was warm, de winter was koud en de herfst rook naar natte bladeren en een jas die nooit helemaal droog werd.
In september kreeg je nieuwe schoenen. In oktober stonden daar al vochtplekken op. Tegen november had je geleerd dat “waterdicht” vooral een ambitie van de fabrikant was.
Nu zit ik hier in oktober te twijfelen of ik zonnecrème had moeten smeren.
Mijn vrouw had vanochtend gezegd: “Neem toch maar een jas mee.”
Dat zegt ze ook in juli. Na zoveel jaar huwelijk weet ik dat dit minder met het weer te maken heeft dan met haar vertrouwen in mijn beoordelingsvermogen.
De jas ligt op de stoel naast mij.
Hij heeft het warmer dan ik.
Thuis heb ik de zomerkleren al opgeborgen. Dat leek mij eind september een verstandige beslissing. Je wilt tenslotte iemand zijn die zijn leven op orde heeft.
Drie dagen later stond ik in mijn onderbroek voor de kleerkast te zoeken naar een korte broek.
De dikke truien keken toe.
“Mijn kleerkast is klaar voor de herfst. De herfst zelf blijkbaar nog niet.”
Ook in de tuin heerst verwarring. Er liggen bladeren op het gras, maar ik moet er nog altijd met de grasmaaier overheen. Ik had gehoopt dat die twee werkzaamheden elkaar zouden opheffen.
De natuur heeft mijn voorstel afgewezen.
Op de tuintafel ligt een kastanje. Daarnaast staat de parasol nog open. Het lijkt alsof twee seizoenen ruzie hebben over wie de reservatie heeft gemaakt.
En ik sta ertussen met een hark en een zonnebril.
“Vroeger sneeuwde het tenminste nog”, zegt de meneer in korte broek.
“Ja”, zeg ik.
We kijken allebei even ernstig.
Ik vertel hem niet dat ik mij vooral die ene winter herinner waarin we met een slee naar buiten konden. De andere winters, waarin het gewoon regende en mijn moeder riep dat ik de deur moest dichtdoen, hebben blijkbaar minder indruk gemaakt.
“Ons geheugen is een handige weerman. Het bewaart de sneeuw, maar vergeet de modder.”
Ook de zomers van vroeger waren volgens ons eindeloos. Wekenlang zon. Buiten spelen tot het donker werd. Nooit regen.
Merkwaardig eigenlijk, want ik herinner me ook een vakantie aan zee waarin mijn vader zes dagen lang naar het raam stond te kijken.
Op de zevende dag gingen we naar huis.
Maar goed. Dat telt niet. Dat was een uitzondering. Net zoals alle andere uitzonderingen.
De ober komt vragen of we nog iets willen.
“Het is toch ongelooflijk voor oktober”, zegt hij.
Nu zijn we met drie.
Er hoeft maar één zonnestraal op een terras te vallen en wij richten een vergadering op over het klimaat.
De meneer in korte broek vindt dat de winter zal terugslaan. De ober zegt dat zijn terras nog nooit zo lang heeft opgebracht. Ik zeg dat het ’s avonds wel snel afkoelt.
Dat laatste is mijn vaste bijdrage aan gesprekken over warm weer. Het geeft mij het gevoel dat ik nog iets nuttigs toevoeg.
Ondertussen komt er een vrouw voorbij met een dikke sjaal. Achter haar loopt iemand op sandalen.
Beiden kijken alsof de ander zich vergist heeft.
Natuurlijk denk ik ook aan wat er achter dat vreemde weer zit. Aan droge grond, aan hevige buien, aan mijn kleinkinderen die later misschien heel andere herinneringen aan oktober zullen hebben.
Dat verdwijnt niet omdat mijn pint lekker fris is.
Maar hier, op deze stoel, valt het mij moeilijk om boos te kijken naar een aangename middag. Zeker als de zon precies goed staat en mijn knie vandaag eens geen commentaar geeft.
Dus blijf ik nog even zitten.
Er valt een blad op tafel. Het landt naast mijn glas.
Eindelijk een duidelijk teken.
Ik pak het op, bekijk het en leg het weer neer. Geel, met een bruin randje. De herfst heeft blijkbaar toch iemand gestuurd.
Mijn vrouw belt.
“Zit je nog altijd op dat terras?”
“Ja.”
“En je jas?”
“Die zit hier ook.”
“Breng onderweg pompoensoep mee.”
Ik kijk naar mijn pint, naar de blauwe hemel en naar de meneer in korte broek, die net een tweede bestelt.
Pompoensoep. Natuurlijk.
Je kunt veel zeggen over die seizoenen, maar thuis houden ze zich nog keurig aan de planning.
Dit is een persoonlijke mening van de auteur. Ze nodigt uit tot nadenken, niet tot gelijk krijgen.






