Waarom is het inroepen van de rechtbank een ultieme stap?
Omdat je dan als grootouder misschien (!) wel bezoekrecht krijgt, maar dat blijft dan ook vaak een twistpunt. De kleinkinderen zijn niet zichzelf, want pa of ma hebben ‘moeten’ toegeven dat ze opa en oma zien. De kinderen zijn ook loyaal ten opzichte van vader en moeder. Hoe graag ze je ook zien, ze realiseren zich dat ze dan partij moeten kiezen en kinderen willen dat niet. Het hoeft ook geen betoog dat zo’n afgedwongen bezoekrecht niet in goede aarde valt bij de ex-schoonzoon of -dochter. Daarom zoek je best naar een alternatieve oplossing om als grootouder toch nog een ‘gewoon’ contact te hebben met je kleinkinderen. Wat zijn die alternatieven dan?
Een familiaal bemiddelaar bemiddelt
Je kan een beroep doen op een erkend familiaal bemiddelaar, die geschoold is in bemiddeling en die als onpartijdige derde met de betrokkenen aan tafel gaat zitten. Maar samen aan tafel zitten vereist dat elke partij vrijwillig aanwezig is en bereid is om samen naar een oplossing te zoeken. De bemiddelaar begeleidt het gesprek, zorgt ervoor dat men naar elkaar luistert, ontzenuwt spanningen, benoemt het gemeenschappelijk belang, helpt om samen tot een vergelijk te komen waar elke betrokkene akkoord mee gaat én een goed gevoel bij heeft.
Een bemiddelaar leidt het gesprek in goede banen en helpt de partijen om tot een oplossing te komenDe bemiddelaar is dus niet diegene die ‘dé’ oplossing op tafel legt, maar wel de verwachtingen, wensen en verlangens vertaalt. Hij nodigt de aanwezigen uit om niet te reageren maar om vragen te stellen, zodat iedereen 100% begrijpt wat wordt gezegd en bedoeld. De bemiddelaar benoemt de gemeenschappelijke standpunten en visies en lijst op waar de meningsverschillen zich situeren. Vaak is het de manier waarop naar de omstandigheden en feiten gekeken wordt, die bepalend is voor de hardheid en onverzettelijkheid van meningen. Een onafhankelijke derde kan verwoorden en herformuleren. Hij verwoordt de mogelijkheden, maar onthoudt zich van het formuleren van “de” oplossing. Daarvoor zorgen de aanwezigen zelf. Het beste is dan ook dat er werkbare mogelijkheden op tafel komen.
Ik doe het wel zelf
Sommigen ervaren het inroepen van een derde partij als een nederlaag voor hun eigen ‘onderhandelingsvaardigheden’. Maar zo is dat niet. Als je er al in zou slagen om zelf een gesprek aan te gaan met de ouder of het ex-schoonkind, dan kan dat ook tot een positief resultaat leiden. Ware het niet dat je als betrokken partij niet als facilitator kunt optreden; je bent immers zelf belanghebbende. Maar niets is onmogelijk, er zijn mensen die dat kunnen en dat dan ook doen. Zorg er dan wel voor dat je het gesprek op neutraal terrein voert, een openbare gelegenheid is daarvoor een goede keuze. Er zijn mensen om jullie heen, waardoor je anders praat. Het menselijk opzicht is hieraan niet vreemd.
Een niet-betrokken familielid of vriend
Je kan ook een beroep doen op een familielid of een goede vriend(in) die geen rechtstreekse betrokkene is. Voorwaarde is dat die persoon door alle betrokken partijen wordt aanvaard en als deskundige buitenstaander wordt gezien en ervaren. Die persoon treedt dan op als bemiddelaar. Nuttig is dat deze persoon de nodige skills en kennis heeft van bemiddelings- en onderhandelingstechnieken om zichzelf niet te verliezen in de gesprekken.
Het recht op persoonlijk contact ‘opeisen’
En als het echt niet anders zou kunnen is er de wet.
In een artikel in de wet (art 375bis van het BW) is een clausule opgenomen voor de grootouders, waardoor voorkomen wordt dat het contact tussen grootouder en kleinkind wordt verbroken. De formele tekst van het artikel luidt als volgt:
'Grootouders hebben het recht om persoonlijk contact met het kind te onderhouden. Datzelfde recht kan aan ieder ander persoon worden toegekend, indien hij aantoont dat hij een bijzondere affectieve band met het kind heeft.'
Een rechter kijkt altijd naar het belang van het kind en niet van de grootoudersBelangrijk is dat de wet uitgaat van het belang van het kind en dus primeert niet het belang van de grootouders. Hoezeer je als grootouder ook hebt geïnvesteerd in de zorg en contacten met het kind, de rechter zal steeds evalueren in welke mate de kinderen zelf lijden onder de breuk. De rechter zal dus ten allen tijde willen voorkomen dat door een contactrecht te bevelen de kinderen in een moeilijke positie komen.
Als de rechter van de familierechtbank een bezoekrecht toekent aan de grootouder, dan wordt de frequentie bepaald en worden specifieke voorwaarden aan dat bezoekrecht gekoppeld. Het contact dat de rechter uitspreekt bestaat doorgaans in de schoolperiode uit één dag per maand of twee halve dagen; in de schoolvakantieperiodes kan dat soms 2 of 3 dagen zijn al naargelang de hechtheid van de band tussen grootouder en kleinkind.
En zelfs al heeft de rechter een bezoekrecht bevolen, dan is het de kwaliteit van de naleving die bepalend zal zijn. Een grootouder die besluit om een bezoekrecht af te dwingen, moet bij voorbaat weten dat het recht hem toegekend is ‘op papier’, maar dat de niet-naleving ervan in de praktijk de grootouder vaak met lege handen achter laat. Bij niet-naleving sta je als grootouder vaak nergens. Je kan aan de rechter een dwangsom vragen of je kan bij de politie of het parket een strafklacht indienen; de vraag is of het dat is wat je als grootouder wil en of het kleinkind hiermee gebaat is.
Dus als grootouder dan maar alles lijdzaam ondergaan? Neen, maar bezin alvorens je als grootouder tot de rechtbank te richten. Het is meer dan aangewezen om te zoeken naar een alternatieve oplossing.
Heb je als grootouder een goede of minder goede ervaring met het ‘bezoekrecht’? Vertel het ons dan in een reactie onder dit artikel.








