Mijn vrouw heeft een pompoen gekocht. Ik dacht aan soep. Zij dacht aan een uitgesneden gezicht. Zo begint tegenwoordig de voorbereiding op een gezellige avond.
“Opletten dat je een mooie grote neemt,” had ze gezegd.
Dat vond ik verstandig. Van een kleine pompoen heb je weinig soep.
Tot ze thuis een mes op tafel legde en zei: “Daar moet een gezicht in.”
Ik heb voorzichtig gevraagd of ze zich wel goed voelde.
Blijkbaar zetten we dit jaar met Halloween een uitgeholde pompoen aan de voordeur om bezoekers schrik aan te jagen. Wij deden dat vroeger met een offerte van de loodgieter, maar ieder zijn methode.
Er hangt iemand aan de dakgoot
De straat is er klaar voor.
Bij de buren hangt een skelet aan de dakgoot. De eerste ochtend heb ik bijna aangebeld om te zeggen dat hun dakwerker er niet goed uitzag.
Twee huizen verder staan grafstenen in de voortuin. Daarnaast een afgehakte hand.
“Gezellig,” zei mijn vrouw.
Ik heb geknikt. Na zoveel jaren huwelijk weet je wanneer een gesprek nergens heen gaat.
Vroeger zette je in oktober chrysanten aan de deur. Nu ligt er iemand zonder hoofd tussen de siergrassen. Je moet toch een beetje mee zijn.
“Ik vind het al knap dat de buren hun skelet ieder jaar weer op zolder krijgen. Ik krijg de kerstboom amper door het luik.”
Wij hadden ook spoken
Nu wil ik niet beweren dat wij vroeger nooit bang waren.
Wij hadden een kelder.
Dat was voldoende.
Eén kale lamp, een trap die kraakte en ergens achteraan bokalen waarvan niemand nog wist wat erin zat. Als moeder vroeg om aardappelen te halen, ging je naar beneden als een dapper kind en kwam je boven als een olympisch atleet.
Wij hadden ook geen rookmachine nodig. Als vader de kachel aanstak, was het effect soms indrukwekkend genoeg.
En verkleden deden we eveneens. Met een oud laken was je een spook. Twee gaten erin en klaar.
Al moest je wachten tot moeder toestemming gaf. Anders was het spook degene die de rest van de namiddag mocht strijken.
Opa krijgt instructies
De kleinkinderen hebben aangekondigd dat ze zaterdag 31 oktober langskomen.
Verkleed.
“Je moet wel schrikken, opa.”
Dat lijkt me haalbaar. Ik schrik tegenwoordig al wanneer mijn telefoon vraagt of ik mijn wachtwoord nog weet.
“En je moet snoep hebben.”
Ook dat is duidelijk. Halloween is het enige moment waarop kinderen onaangekondigd aan je deur mogen komen uitleggen wat je moet uitdelen.
Ik had nog een zakje muntbollen liggen.
Mijn vrouw keek alsof ik voorgesteld had om spruitjes uit te delen.
“Koop iets dat kinderen lusten.”
Dus stond ik even later in de supermarkt met een zak oogbollen, een pak zure wormen en iets wat volgens de verpakking eetbare vingers waren.
Aan de kassa vroeg de juffrouw of ik het kasticket wilde.
Ik zei ja. Als iemand mijn boodschappentas vond, wilde ik kunnen bewijzen dat alles legaal gekocht was.
De generale repetitie
De kleinkinderen hebben intussen aanvullende instructies gegeven.
“Je moet écht schrikken, opa. Niet gewoon zeggen dat je geschrokken bent.”
Er wordt blijkbaar streng toegezien op de kwaliteit van de voorstelling.
Ik heb even geoefend. Hand op de borst, stap achteruit, klein gilletje.
Mijn vrouw keek op van haar kruiswoordraadsel.
“Wat scheelt er?”
“Niets. Ik bereid me voor.”
“Doe dan zaterdag maar iets minder. Straks laten die kinderen hun snoep vallen.”
Ik weet nog niet precies wie als wat komt. Eén kleinkind wil een zombie zijn.
“Wat moet ik me daarbij voorstellen?” vroeg ik.
“Iemand die er halfdood uitziet en zo rondloopt.”
Daarop volgde een demonstratie.
Ik vond het nogal lijken op mijn tocht naar het koffieapparaat op maandagochtend, maar dat heb ik voor mezelf gehouden.
Een lichtje aan de voordeur
Ondertussen staat onze pompoen klaar.
Het ene oog zit hoger dan het andere. Mijn vrouw vroeg of dat de bedoeling was.
“Dat geeft karakter,” zei ik.
Een zin die op mijn leeftijd voor steeds meer dingen van pas komt.
Zaterdag gaat er een ledlichtje in. De snoepkom komt bij de deur en ik zal proberen niet alles zelf op te eten vóór er gebeld wordt.
Misschien hoef ik ook niet precies te begrijpen waarom er eind oktober overal spinnenwebben hangen waarvoor mensen betaald hebben. Binnenkort staan hier kinderen op de stoep die zich al dagen verheugen op hun grote schrikmoment.
“Dan wil ik best even doen alsof ik nog nooit zo’n angstaanjagend wezentje van één meter tien heb gezien.”
En als de kleinkinderen daarna nog even blijven hangen, zet ik iets warms op tafel. De vampier kan zijn tanden uitdoen, de heks haar hoed afzetten. Voor een zombie vinden we ook wel een stoel.
Ik zie het eigenlijk al helemaal zitten.
Alleen die pompoensoep zal ik missen.
“Volgend jaar kopen we er twee,” zei mijn vrouw.
Dit is een persoonlijke mening van de auteur. Ze nodigt uit tot nadenken, niet tot gelijk krijgen.








